Recensie

Recensie Film

De toeschouwer wordt soms Vincent van Gogh

Drama In ‘At Eternity’s Gate’ gaat regisseur Julian Schnabel Van Goghs mentale staat niet uit de weg, maar hij legt liever de nadruk op zijn koortsachtige werkdrift en opvattingen over kunst.

Vincent van Gogh (Willem Dafoe, rechts) en zijn vriend Paul Gauguin (Oscar Isaac) in ‘At Eternity’s Gate’.
Vincent van Gogh (Willem Dafoe, rechts) en zijn vriend Paul Gauguin (Oscar Isaac) in ‘At Eternity’s Gate’.

In de eerste minuut van At Eternity’s Gate reflecteert Vincent van Gogh in voice-over op zijn positie als buitenstaander. Het beeld is dan nog zwart. Het introduceert een belangrijk subthema van de film, maar illustreert ook de keuze van regisseur Julian Schnabel om de bespiegelingen en subjectieve blik van de schilder centraal te stellen. Met allerlei filmische middelen wordt de toeschouwer twee uur lang in het hoofd van de gekwelde kunstenaar geplaatst. De belangrijkste stilistische keuze is om de camera zowel Vincent te laten zijn als zijn beleving van de wereld weer te geven: hoe kijkt hij, wat ziet hij? Sporadisch plaatst Schnabel, zelf ook kunstenaar, een geel- of blauwfilter voor de camera om Van Goghs subjectieve waarneming weer te geven.

Personages kijken rechtstreeks in de camera als zij met Van Gogh praten. Een intiem procedé dat even wennen is maar wel werkt. De toeschouwer komt zo heel dicht bij hem en wordt soms voor eventjes de schilder. Deze point of view-shots zijn meestal binnenskamers en blijven vrij statisch. Eenmaal buiten, in zijn geliefde natuur, is de cameravoering los. Van Gogh wordt fantastisch gespeeld door Willem Dafoe, wiens gezicht vaak close-up, als een soort landschap, in beeld is. Ook danst de camera om hem heen, om soms af te dwalen naar iets wat hij ziet: lichtinval door een bladerdak, de ondergaande zon.

Lees ook een interview met hoofdrolspeler Willem Dafoe: ‘Het is best lastig om iemand als Jezus of Van Gogh te spelen’

At Eternity’s Gate speelt zich grotendeels in en rond Arles af, waar de film ook daadwerkelijk is opgenomen. We zien zijn interacties met de dorpsgenoten die we kennen van de portretten die hij van ze maakte. Ook zien we hoe de vriendschap met Gauguin zich ontwikkelt en uiteindelijk verzuurt. Af en toe komt broer Theo langs, vooral als zich crisissituaties voordoen. Dat Van Gogh mentaal niet stabiel is, staat buiten kijf. Een speciale lens, die het beeld gedeeltelijk onscherp maakt, bekrachtigt dit. Maar gek is hij niet, zoals zijn laatste dokter Paul Gachet ook concludeert als hij voor hem poseert.

Schnabel gaat Van Goghs mentale staat niet uit de weg maar legt liever de nadruk op zijn koortsachtige werkdrift en opvattingen over kunst. De natuur staat voor hem gelijk aan schoonheid, een schoonheid die spirituele trekjes heeft. In de buitenlucht is Van Gogh manisch, hij bekent soms even bewusteloos te worden van zoveel moois om hem heen. Zijn opvatting over kunst is kernachtig: „Ik schilder zonlicht.” Als er iets is wat At Eternity’s Gate voelbaar én zichtbaar maakt, is het Van Goghs unieke visie: „Ik schilder wat ik voel en voel wat ik schilder.”