Opinie

    • Marjoleine de Vos

Wat thuis thuis maakt ontbreekt op Funda

Marjoleine de Vos

Buiten hoor ik een zware motor – oh ja, woensdag, vuilnisauto. Even later is het weer stil. Soms maken de mezen geluidjes alsof het al voorjaar is, zo’n helder ‘ting!’, twee glazen knikkers die tegen elkaar aan stoten. De zon schijnt in mijn kamer, op de boeken, de bank met het kleed erover, buiten staat de salie grijzig te huiveren in de winterkou die ik hier binnen, behaaglijk, niet voel. Alles hier is ‘thuis’.

Voor mij. Ikzelf, er middenin zittend, ben de bezielende kracht van mijn inrichting, mijn huis, mijn uitzicht. Als je in het huis van vrienden bent die er toevallig niet zijn – omdat ze nog niet op zijn, even een boodschap doen, met vakantie zijn – voel je dat heel duidelijk: dat hun huis iets heel anders is zonder hen. Ineens hoor je de geluiden die je nooit hoort als je daar met ze zit te praten, het gestommel van buren, een tram die de hoek om knarst, een ondefinieerbare tik of brom uit de keuken. De meubels, zo vanzelfsprekend en prettig als ze altijd zijn, blijken nu ineens keuzes, al of niet bewust gemaakt. Soms zien ze eruit als restobjecten die hier toevallig bijeengedreven zijn.

Hoe wonen wij, wilde deze krant weten voor een fotowedstrijd. Ik ben benieuwd. Zelf ben ik op het ogenblik extra gevoelig voor dat thema wegens een in het verschiet liggende verhuizing en vooral vanwege mijn eigen huis op Funda.

Hoe vreselijk. Alles wat ‘thuis’ betekent te grabbel op foto’s, alle heerlijkheid vergroothoekt, in schel licht, vervreselijkt vind ik zelf. Alsof ik er niet woon. Ik zou daar ook helemaal niet wíllen wonen! Die foto’s zijn niet het huis en de tuin en het uitzicht dat ik altijd met ingehouden trots, met lichte verwachting (dit gaan ze héél leuk en mooi vinden!) aan anderen toon. Niet het huis waar vrienden handenwrijvend binnenkomen – „Fijn om hier weer te zijn!” De kale wintertuin is niet die waarin we in de zomer zitten en uitkijken en zuchten dat het hier toch wel ongelooflijk is en dat wie hier weggaat wel gek…

„Misschien willen we wel niets liever (…) dan de buitenwereld tonen hoe onze intieme schatkamers eruit zien”, schreef Hans Steketee bij de oproep voor de fotowedstrijd. Hij dacht het, lopend langs verlichte ramen zonder gordijnen ervoor. Huizen geven duidelijke signalen af door de keuze van de meubels, de designlampen, de manier waarop de boekenkasten, als die er zijn, gevuld zijn. Wie bij anderen binnenstapt kijkt altijd even rond – wat hangt er aan de muur, waar zit je hier en is dat prettig, wordt er in die keuken echt gekookt, hoe leven ze hier eigenlijk? Zou ik ook zo kunnen leven?

Soms, hoezeer een huis ook iets is waar je je in wikkelt, denk ik wel eens dat ik me in een ander huis, een huis van vrienden bijvoorbeeld, net zo goed thuis zou kunnen gaan voelen. Hun mooie spullen, hun goed gevulde boekenkasten, een stoel met leeslamp, comfortabele keuken, zonlicht overdag – wat meer zou je wensen? Maar ben je weer thuis, dan voel je nog iets anders, dat thuis vooral de uitdrukking is van je dagelijksheid. Het is niet voor andere mensen om te zien, het is voor hoe je leeft, heel gewoon, onopgemerkt.

Een vrouw uit een naburig dorp stierf vorige week. Op de kaart die werd uitgedeeld bij haar begrafenis stond een foto van haar kamer, met binnenin een gedicht over hoe ze eens droomde dat ze dood was en bij zichzelf naar binnen keek: „mien bril lag op de kraant/ en t glas woar ik nog nait/ oet dronken haar doar noast”. Geen interieur, maar een huis. Je ziet niet hoe ze was, maar dát ze was, en waar. Daar waar ze thuis was.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.