Recensie

Faust en Gardiner fascineren met Beethoven

Een mens stapt nooit tweemaal in dezelfde rivier, vond de wijsgeer Heraclitus; beide veranderen immers voortdurend. Het is een denkbeeld dat romantici als Beethoven en Schumann zouden onderschrijven. Muziek is immers ook een bedding waardoor nooit hetzelfde water stroomt. Een voorbeeld is Schumanns Derde Symfonie, ode aan de Rijn en sluitstuk van een concert door het London Symphony Orchestra onder leiding van dirigent John Eliot Gardiner. Drie jaar na de voltooiing van zijn euforische ‘Rheinische’ symfonie bezocht Schumann ook zelf Rotterdam, maanden voor hij zichzelf in de winterse Rijn wierp, gekweld door duivelse stemmen en tonen in zijn hoofd.

Met Gardiner aan het roer voer het London Symphony Orchestra op een rusteloze stroom, ook doordat de musici – op cellisten en paukenist na – staand speelden. Uiteenlopende bewegingspatronen onder de violisten verstoorden af en toe de cadans van de muziek.

De rivier instappende mens van Heraclitus kreeg gestalte in het Vioolconcert van Beethoven, die zich in zijn muziek altijd afvraagt wat het betekent om mens te zijn. En die speurtocht is van alle tijden, bewees ook soliste Isabelle Faust, die in haar vertolking met Beethoven mee zocht.

In het langzame deel verhieven de tonen van haar viool zich boven het orkest, de ene keer fladderend, dan weer zwevend op de thermiek. Beethoven gaf de solist hier de rol van een leeuwerik en liet het orkest landschap zijn. Ook de pauk kreeg een aparte plek. Die belichaamde vanaf de eerste maat de hartslag, en keerde terug als gespreksgenoot van de viool in Fausts cadens, die Beethoven oorspronkelijk schreef voor de pianoversie van dit concert.

Zo waren violist, dirigent en orkest op allerlei niveaus in dialoog, waarbij de vragen belangrijker bleken dan antwoorden.

    • Joost Galema