Opinie

    • Frits Abrahams

Diederik ontroerd

Je trekt als Nederlandse toerist argeloos over de Toscaanse heuvels en plotseling stuit je op een landgenoot die, met een tv-cameraploeg op zijn hielen, naar beneden staat te staren en steeds met schorre stem uitroept: „Ontroerend!” Hij veegt af en toe een traan van zijn wangen.

Wat te doen? Moet je naar hem toe om hem te troosten of moet je hem juist de gelegenheid geven zijn verdriet ongestoord te verwerken? Je besluit poolshoogte te nemen en sluipt zo geruisloos mogelijk naderbij.

Dan hoor je de ontroerde man tegen de cameraploeg zeggen: „Staat het er zo goed op, jongens?”

„Nee, Diederik”, antwoordt de regisseur, „het is nog steeds te zwaar aangezet. Je staat erbij alsof je net je moeder dood hebt gevonden: meer verdwaasd dan verdrietig. Je hoeft ook niet elke keer zo duidelijk te zeggen: ‘Ontroerend’. Eén keer is genoeg. Show, don’t tell!”

De met Diederik aangesproken man heeft een kaal hoofd en een ietwat naïeve oogopslag. Hij draagt een schoudertas die hem bij elke opname wordt aangereikt en de suggestie moet wekken dat hier een reiziger eenzaam door de Toscaanse natuur trekt. „Jezus Christus”, zucht hij, „het is ook nooit goed.”

„Niet zeiken, Diederik”, zegt de regisseur, „het kan beter, dat weet je zelf ook wel. Denk maar aan de Mona Lisa! Dat was subliem! Zoals je door die gang van het Louvre liep, even je pas vertraagde, die zaal inkeek, je adem inhield en bijna aarzelend binnentrad. Alsof je na een lang, zwaar leven plotseling een doodgewaande, vroegere geliefde – dé liefde van je leven – gekluisterd in een kerker aantrof.”

„Wat deed ik nu dan anders?” vraagt Diederik. Hij klinkt moedeloos.

„Bij de Mona Lisa heb je niet één keer ‘ontroerend’ gezegd”, zegt de regisseur. „Je hebt ook geen traan gelaten, maar toch was het alsof je hevig ontroerd was. En intussen stond je, bijna met je kop tegen dat schilderij, die lap van een tekst op te zeggen die je thuis vanbuiten had geleerd. Over het ‘volstrekt onwerkelijke moment dat je daar stond, in je eentje voor het allerberoemdste schilderij’, over ‘de schitterende lichtval’, over de naam van Leonardo da Vinci ‘op dekbedhoezen, mokken en theebladen’, over die ‘mysterieuze achtergrond’. En het golfde er zo naturel bij je uit alsof je het ter plekke stond te bedenken. Briljant! Bijna net zo briljant als…”

Diederik glundert.

„Enfin”, zegt de regisseur, „daarom noemen we bij de AVROTROS die serie natuurlijk ook Diederik en Da Vinci. Zijn stem lijkt even een spottende bijklank te krijgen en het gezicht van Diederik verstrakt.

„Heb je je al eerder geërgerd?” vraagt Diederik.

„Vanmorgen al”, zegt de regisseur. „We stonden met je te filmen bij dat zogenaamde geboortehuis van Leonardo. Je merkte zelf op dat het niet zeker is dat Leonardo daar geboren is, maar toch sloot je af met de zinnen: ‘Hier is het gebeurd. Op deze plek zijn we dus ook ontroerd, zoals het hoort.’ Hoezo ‘ontroerd, zoals het hoort’? Omdat de toeristenindustrie ons die flauwekul door de strot douwt? Weet je waar jij me soms aan doet denken, Diederik? Aan een geslaagde parodie op een tv-reisleider door Herman Koch in een oude aflevering van Jiskefet.”

Diederik slaat zijn ogen neer, misschien wel ontroerd.

    • Frits Abrahams