Baan als agent op het spel na klap in kroeg

Wie: Politieagent Ferry

Kwestie: Uitgaansgeweld

Waar: Rechtbank Overijssel (Zwolle)

De Zitting

Ferry is achtentwintig jaar, een jongen nog. Wit, gesteven overhemd, frisse aftershave, scherpe blik. Op papier lijkt de strafzaak tegen hem een routinekwestie. Eenvoudige mishandeling in een kroeg. Maar deze verdachte werkte zes jaar bij de politie voordat de korpschef hem na een avondje stappen met buitengewoon verlof stuurde. Hoe kon het dat agent Ferry zich op 1 april afgelopen jaar zo liet gaan?

„We waren gaan lasergamen”, vertelt de verdachte de strafrechters in Zwolle. Twee zussen, z’n beste vriend, hun vriendinnen. En daarna hadden ze „een drankje gedaan” in club Fatih in Kampen. Zijn zus was jarig, het was gezellig, op een paar gastjes na die hun fles Bacardi probeerden af te pakken.

Als de verdachte op de wc is, stuurt zijn tweelingzus een sms: ‘We zijn buiten, je moet komen.’ Daar ziet Ferry zijn beste vriend staan, ook agent. Zijn shirt is kapot gescheurd, het gezicht dik. Eromheen politie en „opgeschoten jongens”. Ferry wisselt een paar woorden en rent met zijn zussen terug de club in, „om mijn vriendin te halen”. Maar nog geen halve minuut later staat hij weer buiten, zonder vriendin, en gaat er als een haas vandoor.

Wat er precies in het café is gebeurd, is de vraag. Ferry en zijn zussen vertelden de politie dat Ferry werd vastgepakt en „uit zelfverdediging” een klap uitdeelde aan een van de Bacardi-jongens. Maar het slachtoffer zelf verklaarde dat de verdachte hem „vanuit het niets met de vuist in het gezicht stompte.” Die lezing volgt de officier van justitie. Ze vermoedt dat Ferry buiten had gehoord wie zijn maatje in elkaar had geslagen en die jongen een lesje wilde leren.

Dat ontkent Ferry stellig: „Ik werd vastgepakt en dacht: ‘Nu ben ik aan de beurt.’ Toen deelde ik een klap uit. En daarna ben ik gaan rennen.” Waar naartoe? Geen idee. „Ik was in paniek.” Agenten in gele hesjes vlogen er achteraan. Uiteindelijk reed een politieauto hem klem en ging hij mee naar het bureau. Een speekseltest weigerde hij.

„Had u pillen geslikt”, wil de voorzitter weten: „Getuigen vertellen dat u kauwbewegingen maakte.” De verdachte schudt van ‘nee’. Maar u bent als agent toch getraind om u rustig te houden, vraagt de aanklager. Jazeker, beaamt de verdachte. „Ik gebruik altijd mijn mond. Maar ik leer niet wat ik moet doen als mijn beste vriend in mekaar wordt geslagen. Mijn zussen waren in tranen. Mijn familie is mijn alles.”

Was het niet zinvoller geweest buiten te blijven, vraagt een bijzittende rechter. De verdachte buigt zijn hoofd: „Ik maakte me zorgen om mijn vriendin.” U bent politieagent, werpt de rechter tegen. „Buiten diensttijd gebeurt u dit. Dan vraag je de politie toch of die je vriendin wil halen?” Ferry: „Normaal heb ik mijn uniform aan en word ik niet belaagd door een hele groep mensen.” De bijzitter, geïrriteerd: „U had niet in de weilanden hoeven te geraken met een politiemacht achter u aan, verdomme! U mag als burger ook aanhouden. Waarom ging u niet direct naar uw collega’s toe?”

Als agent werkt Ferry zelf in de Randstad. Hij vertrouwde deze politie niet, bekent hij. De wijkagent begroette de vechtersbazen met een boks, had zijn zusje gezien. Een andere collega ging volgens de advocaat met de knapen „lopen knuffelen”. „Een verbazingwekkende gang van zaken”, vindt de raadsman. Hij bepleit vrijspraak. Er was sprake van noodweer vanwege „onmiddellijk dreigend gevaar voor ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De verklaring van de aangever is onbetrouwbaar. Hij was geen onschuldige omstander maar zocht steeds opnieuw de confrontatie.”

Maar in de ogen van de officier is dat „een ongeloofwaardig verhaal”. Wat de raadsman beweert, zegt ze, rijmt niet met de verklaringen in het dossier en evenmin met Ferry’s korte verblijf in de club. „Verdachte stompt het slachtoffer , staat binnen een halve minuut buiten, gaat rennen, laat vriendin achter, en ziet collega’s aan voor belagers. U kon volstrekt niet meer schakelen.”

Omdat Ferry geen strafblad heeft, eist ze voor de mishandeling een boete van 400 euro. Twee weken later veroordeelt de rechter de verdachte conform eis. „Als politieagent had van hem verwacht mogen worden dat hij anders zou handelen.” Ferry gaat in hoger beroep en duimt dat hij agent mag blijven.