Koerdische auteur Boochani wint twee grootste literaire prijzen in Australië

Vluchteling Behrouz Boochani, een Koerdische schrijver uit Iran, zag zijn autobiografische boek over de behandeling van asielzoekers bekroond met twee grote prijzen.

Behrouz Boochani
Behrouz Boochani Foto Omid Tofighian

‘Ik haat de maan’, denkt Behrouz Boochani. De Koerdische dichter en journalist vlucht in 2013 Iran uit om in Indonesië op een boot terecht te komen richting Australië. Dagenlang dobberen hij en de medepassagiers rond, de boot lekt, er is honger en er zijn baby’s aan boord. Wanneer ze na dagen opgepikt worden door een vrachtschip – voor een enkeling te laat – varen ze dagen rondjes voor de Australische kust. De maan is de ene keer links, de andere keer rechts, en biedt weinig houvast. De enige zekerheid is dat de Australische kust weinig dichterbij komt.

Boochani en zijn medepassagiers komen het land niet in: ze worden naar Christmas Island gebracht, om van daaruit naar het detentiecentrum op Manus te gaan. Het detentiecentrum staat op een stuk grond dat de Australiërs tot hun beschikking hebben op Papoea Nieuw-Guinea om hun asielzoekers vast te houden. Boochani is een van de mensen die naar buiten bracht hoe Australische bewakers zich misdragen, hoe slecht de voorzieningen in het kamp zijn en hoe Australië er een politiek op nahoudt om de vluchtelingen en asielzoekers te negeren: wat je niet ziet, is er ook niet.

“Ik ben een stuk vlees dat in een onbekend land is gegooid; een gevangenis van smerigheid en hitte”, omschrijft Boochani de situatie in zijn boek No Friend But the Mountains: Writing from Manus Prison. Voor dit boek kreeg hij vorige week de meest lucratieve literaire prijzen van Australië: de Victorian Prize for Literature en de Victorian Premier’s Literary, samen goed voor bijna 80.000 euro. Hij bracht zijn boek via WhatsApp naar buiten. Picador Australië gaf het boek deze zomer uit.

Dat uitgerekend Boochani deze prijs kreeg is, is cynisch voor wie bedenkt dat dit non-fictiewerk (afgewisseld met enkele wel heel erg expliciete gedichten) verslag doet van een vlucht naar Australië, maar vooral het leven in het detentiekamp neerzet. Dat leven ziet er zo uit: dagelijks zijn er rijen voor voedsel, de wc’s en de douches. Wc’s lopen soms over, andere dagen is er water noch elektriciteit. Verder is er verveling, zijn er de muggen, krekels en hitte. Het drinkwater is standaard warm. De bewakers zien de kampbewoners als “vijanden van de Australische natie”. “Stel je een leven voor waar honderden mensen in een warme kooi, met getraumatiseerde levens, dag in dag uit dezelfde 100 meter kunnen wandelen”, schrijft Boochani.

Waar moeten de vluchtelingen op Manus Island heen?

In 2016 verklaart de Hoge Raad van Papoea Nieuw-Guinea het kamp illegaal. Er breken protesten uit omdat de kampbewoners vrezen aan hun lot te worden overgelaten, er plegen er twee zelfmoord en het komt tot conflicten met lokale bewoners die vrezen voor een ‘invasie’ van buitenlanders als het kamp eenmaal verdwijnt. De bewoners krijgen drie opties: het kamp zelf verlaten en je ergens op Papoea Nieuw Guinea vestigen, terug naar je land van herkomst of ergens anders gedetineerd worden. Een ding was duidelijk: toegang tot Australië zat er hoe dan ook niet in.

Dat laatste werd andermaal bevestigd toen Boochani hoorde dat hij de prijs had gewonnen. Hij mag die niet zelf komen ophalen. Hij komt Australië niet in.

De vertaling van No Friend But the Mountains: Writing from Manus Prison verschijnt bij uitgeverij Jurgen Maas.