Opinie

    • Tommy Wieringa

Onze andere levens

Tommy Wieringa

Post van een lezer uit Zuid-Korea. Hij is teleurgesteld in mij. In een roman heb ik volgens hem een oude rabbijn iets racistisch laten zeggen. Ik zoek de betreffende passage erbij. Op de vraag wie er voor de rabbijn kookt, volgt er dit: ‘De buren’, zei de oude man mistroostig. ‘Alle avonden Chinees. Ik krijg er spleetogen van.’

Mijn Koreaanse lezer neemt aanstoot aan het woord ‘spleetogen’ en schrijft: ‘Ook al is het een roman, dit is toch overduidelijk racisme, nietwaar? Tegenwoordig kun je zoiets niet meer maken. Het is teleurstellend. Hopelijk helpt mijn feedback u bij wat u in de toekomst nog zult schrijven.’

Het is een gevoelige tijd. Van kunstenaars wordt gevraagd zich rekenschap te geven van wat ze zich toe-eigenen en welke verborgen racistische motieven er mogelijk achter schuilgaan.

In een commerciële bijlage in deze krant besprak Clarice Gargard onlangs de tentoonstelling ‘Vrijheid’ in de Fundatie in Zwolle, een nieuwe canon van vijftig Nederlandse kunstwerken samengesteld door Hans den Hartog Jager. Gargard becommentarieert de culturele toe-eigening die ze op de tentoonstelling ziet, zoals de ‘prachtige foto’s van Viviane Sassen die toch schuren’. Ze schrijft: ‘Dat komt doordat zij, als wit persoon, „door de donkere huid gefascineerd raakte” en daarvan haar levenswerk maakte, waardoor de zwarte mens weer eens tot zijn huidskleur gereduceerd wordt.’

Zou het werkelijk? Het getuigt vooral van slordig denken om een fascinatie te verwarren met een reductie, een reductie die trouwens ook al niet uit Sassens werk zelf blijkt. Niet Sassen reduceert de zwarte mens tot zijn huidskleur, Gargard doet dat hier voor haar, om haar daarna te kunnen diskwalificeren. Ze bekijkt het werk niet met haar ogen maar met haar opvattingen, en vindt zo munitie voor deze schermutseling in de identiteitsoorlog.

In de onlangs verschenen bundel De wereld in jezelf – De Nederlandse en Vlaamse literatuur van de 21ste eeuw in 60 essays is een betoog van Anousha Nzume opgenomen. Zij onderzoekt de culturele toe-eigening van blanke, welvarende mensen, die ze consequent aanspreekt met ‘lieve witte mensen’. Ook al probeer je nog zo hard te deugen, betoogt ze, als je je eigen blanke, superieure positie niet kritisch onderzoekt, ben je net zo goed onderdeel van ‘institutioneel racisme’. Nu heb ik institutioneel racisme altijd verstaan als het racisme van overheden, staatsinstellingen en bedrijven, maar voor Nzume valt daar ook het alledaagse, vaak verborgen racisme van burgers onder, zodat het adjectief eigenlijk kan komen te vervallen.

In haar definitie van culturele toe-eigening neemt een meerderheidsgroep in een samenleving een cultuurelement over van een gemarginaliseerde groep, zonder bronvermelding en zonder zich rekenschap te geven van diens achtergestelde positie. Onder alledaagse culturele toe-eigening verstaat Nzume blanken met dreadlocks, palestijnensjaals en tribals. Maar hoe een randstedelijke hipster een Palestijn in de Gazastrook benadeelt door zijn sjaal te dragen, begrijp ik niet, tenzij het een Netanyahu-minnende Israëlische hipster is – maar die zal dan weer niet zo vlug een keffiyeh omslaan. En hoe de dreadlocks van Henk de Boer uit Nieuw-Buinen een rastaman uit Kingston in zijn culturele eer aantasten is een al even groot raadsel, net als waarom een tatoeage in Arabisch schrift of een Samoaanse tribal op een blank lijf white privilege uitdrukt. Dat zoiets valt onder oppervlakkige en tamelijk stompzinnige cultuurconsumptie, is zeker, maar de schrijnende scheve machtsverhoudingen die Nzume toeschrijft aan deze voorbeelden van culturele toe-eigening zijn er eenvoudigweg niet. De voorbeelden voldoen niet aan haar eigen definitie. Ze zijn er een beetje met de dreadlocks bijgesleept.

Nzume is right for the wrong reasons, met andere woorden, want natuurlijk is racisme een groot kwaad, en natuurlijk moet dat kwaad onophoudelijk bestreden worden, maar niet met zulke kolderieke kletspraat. Het moet distinctiedrift zijn, een pervers verlangen naar slachtofferschap.

De cultuur zelf intussen is van niemand. Wij zijn allen gebruikers, geen eigenaars. Iedereen speelt altijd en overal leentjebuur. Je kunt cultuur koesteren, vereren, misvormen, verwoesten of onherstelbaar verbeterd teruggeven, maar je eigendom is het niet. In de kunst niet en in het dagelijks leven niet. ‘Ieder wezen leek mij recht te hebben op een aantal andere levens’, schreef Arthur Rimbaud – een bruikbaar uitgangspunt voor iedereen die het bestaan in zijn volle breedte wil verkennen.

Tommy Wieringa schrijft elke week een column op deze plaats.