Opinie

    • Caroline de Gruyter

Nederland overschat zichzelf

In Europa

Er is geen land in Europa dat zijn invloed in de Europese Unie zo overschat als Nederland. Deze vaststelling zit verstopt in de ‘Coalition Explorer’ die de European Council on Foreign Relations (ECFR) over Nederland heeft gemaakt en die deze week in Den Haag werd toegelicht. Volgens dit rapport, dat tot stand kwam na gesprekken met policymakers in alle EU-landen, geven de anderen Nederland 9 procent van de stemmen. Daarmee bezet het – niet slecht – de derde plaats in de EU-ranglijst. Duitsland krijgt 21 procent, Frankrijk 19. Maar Nederland denkt zelf dat het 15 procent waard is. Dat is een stevige overschatting van je eigen gewicht binnen de EU.

Verbazend is dit niet. Iedereen die de Nederlandse opstelling in Europa enigszins volgt, kan vaststellen dat Den Haag op allerlei terreinen harde standpunten inneemt. Zo is daar de Hanzegroep van noordelijke landen, die wist te verhinderen dat Duitsland te veel concessies doet aan Frankrijk over eurozone-hervormingen. Tijdens de laatste eurogroep in Brussel hakte niemand zo lang en hard op de Italiaanse begroting in als minister Hoekstra van Financiën. Maar niet alleen Hoekstra gaat er met twee gestrekte benen in. Ook op het gebied van Europese defensie, de EU-begroting en andere onderwerpen komt Nederland met harde condities of meteen een afwijzing. Het is in Nederland kennelijk bon ton om te beweren dat we „vaker nee moeten zeggen in Europa” – alsof we dat voorheen nooit deden. Maar als dit een automatisme wordt, gaat het tegen je werken.

Als de Britten vertrekken, veranderen de stemverhoudingen in Brussel. Voor Nederland is Brexit een aderlating. Het VK was op veel terreinen afwezig, maar op de interne markt was het voor ons een machtige, liberale bondgenoot. Als Den Haag issues in Brussel wil pushen of blokkeren, is ‘even Londen bellen’ er straks niet meer bij. We worden afhankelijker van Duitsland. Maar soms willen we dat niet. Dan moeten we nieuwe bondgenoten zoeken, om de groten de pas af te snijden. En coalities bouwen. Zo ontstond de Hanzegroep: een groep kleinere landen kan met één verhaal heel wat bereiken. Maar zoiets kun je niet constant doen. Dan kweek je irritatie. Premier Rutte was ambivalent over de Hanzegroep: het degradeert Nederland tot ‘één van de nordics’. Als tegenwicht zocht hij toenadering tot Frankrijk en activeerde hij de Benelux.

Volgens het ECFR-rapport moet Nederland oppassen. In Zuid- en Oost-Europa worden wij als een onbetrouwbare partner gezien. Nederland toont weinig interesse voor die landen. Als het invloed wil houden, moet het volgens ECFR tonen dat het constructief is en „de ambitie heeft om deel van de oplossing te zijn en niet van het probleem”.

Vroeger werd het Haagse Europabeleid goeddeels door het ministerie van Financiën gerund. Daar zag men de euro als iets „technisch”, niet als het politieke project dat het ís. Buitenlandse Zaken (BZ) kwam er nauwelijks tussen. Minister Timmermans haalde Europa terug naar BZ. Nu dreigt het omgekeerde weer te gebeuren. Minister Blok is niet wezenlijk geïnteresseerd in Europa. Zijn besprekingen lopen soms mechanisch en stroef: voor het halve uur om is, is het gesprek al dood. Blok, getraumatiseerd door de eurocrisis (hij wilde „geen cent meer naar Griekenland”), is vooral met één ding bezig: de schuld van Italië. Hij deelt die obsessie met Hoekstra.

Nederland is, zo hoor je in de hoofdsteden, begonnen met de lobby voor Rutte. Sommigen beginnen zich zorgen te maken: als Rutte vertrekt, wie houdt dan in Den Haag het overzicht? Of gaat de balans opnieuw verloren? Een kleiner land in het hart van de EU, dat overal aan meedoet, moet niet alleen focussen op gelijk hebben, maar ook op gelijk krijgen.

Caroline de Gruyter schrijft wekelijks over politiek en Europa.