Opinie

    • Marike Stellinga

Ja, maar wat betaalt de industrie?

Marike Stellinga

Het weerwoord van de industrie begon bij premier Mark Rutte. Op 15 januari zei Rutte in de Tweede Kamer: „De grotere uitstoot veroorzakende bedrijven veroorzaken dit moment grofweg een kwart van de uitstoot, moeten ongeveer een derde van het doel halen en krijgen een zesde van de subsidie.” Rutte antwoordde GroenLinks-leider Jesse Klaver die stelde dat „het grote bedrijfsleven eigenlijk niet meebetaalt” aan de klimaatplannen.

Een week later zei Hans de Boer, baas van bedrijvenclub VNO-NCW, in reactie op Klavers voorstel voor een CO2-heffing op Radio 1: „Er wordt een beeld gecreëerd door Klaver en anderen dat de industrie de grootste vervuiler is, ook nog eens een keer niks betaalt en de burger de dupe is. De feiten zijn deze: de industrie is verantwoordelijk voor een kwart van de CO2-uitstoot. Van alle uitstootvermindering pakt de industrie een derde, dus dat is meer dan haar aandeel in de uitstoot. En van alle subsidies pakt de industrie slechts een zesde.”

Deze week citeren vier directeuren van grote industriebedrijven Rutte in NRC: een vierde van de uitstoot, een derde van de opdracht, een zesde van de subsidie. Ze vervolgen: „Kortom: de bedrijven bekostigen zelf het grootste deel van de miljarden aan investeringen in innovatieve, CO2-reducerende technologie. Het is dus niet waar dat de industrie alleen maar subsidies opslokt en niets wil bijdragen.”

Zo’n zin die opeens overal klinkt, wat zit daarachter? De berekening is gemaakt door klimaatminister Eric Wiebes, zegt de Rijksvoorlichtingsdienst. Niet officieel, maar in een gesprek met Rutte. De bronnen levert de RVD er zonder problemen bij. Bij de onderbouwing zit mijn probleem niet. Mijn probleem is: wat zegt de opsomming? Niet veel. De zin is bedoeld om aan te tonen dat de industrie haar deel betaalt aan het klimaatbeleid. Maar ik mis een cruciaal cijfer: het aandeel van de industrie in de kosten van klimaatbeleid.

Dat ze volgens Hans de Boer „slechts” een zesde van de subsidie krijgen, is betekenisloos als we bijvoorbeeld niet weten hoeveel (energie)belasting ze betalen ten opzichte van kleine bedrijven en burgers. Die verhouding is tot nu toe gek scheef. Herman Vollebergh, hoogleraar en onderzoeker bij het Planbureau voor de Leefomgeving, zette in zijn oratie de feiten nog eens op een rijtje. Burgers en kleine bedrijven betalen relatief veel belasting in verhouding tot de milieuschade die ze veroorzaken, grootverbruikers erg weinig.

De industriebedrijven wijzen op de 9 tot 15 miljard euro aan investeringen die ze denken te doen om in 2030 de CO2-uitstoot te verminderen. Maar investeringen zijn geen kosten. Die hebben doorgaans een rendement en worden terugverdiend. Als investeringen onrendabel zijn, zijn er wel kosten. Volgens de industrie kunnen die kosten ruim een miljard euro zijn. De helft wordt gecompenseerd door subsidies, aldus het Klimaatakkoord. Tel bij deze kosten de CO2-belastingen die de industrie betaalt, vergelijk dát met burgers. Ik ben benieuwd.

Als het gaat om de industrie en klimaatbeleid zitten regeringen gevangen in dezelfde wurggreep als bij belastingbeleid voor multinationals en de superrijken: er kan weinig, want dan rennen ze het land uit. Ik hoef u niet uit te leggen dat deze redenering politiek gezien zo goed als dood is. Zie de ergernis over globalisering. Burgers vertrekken niet, zij trekken gele hesjes aan, zei Gert-Jan Segers van de ChristenUnie laatst in NRC. Machteloosheid combineert slecht met groene daadkracht.

Marike Stellinga is econoom en politiek verslaggever. Ze schrijft elke week op deze plek over politiek en economie.