‘Veel mensen denken dat het religie-gerelateerd is, maar dat is niet zo’

Geestelijk verzorgers Ze werken in het leger, de gevangenis of het verzorgingshuis: geestelijk verzorgers, bij wie mensen terechtkunnen voor een persoonlijk gesprek.

Foto's Vivian Keulards

Je hoeft niet gelovig te zijn om met levensvragen naar een geestelijk verzorger te kunnen gaan. Dat ontdekte Vivian Keulards, fotograaf en tekstschrijver, toen ze zich het afgelopen jaar verdiepte in het beroep van geestelijk verzorger.

Vivian Keulards: „Net als veel andere mensen had ik een stereotiep beeld bij dat beroep: iets met godsdienst en de kerk. Maar dat bleek niet te kloppen. Sterker, het vak blijkt groeiende en binnen uiteenlopende disciplines zijn geestelijk verzorgers actief: defensie, justitie, zorg, je hebt zelfs geestelijk verzorgers die zzp’er zijn. De politie heeft net veertien vacatures voor geestelijk verzorgers uitgezet. En in het aardbevingsgebied in Groningen zijn twee geestelijk verzorgers aangesteld.

„Ik ging op onderzoek uit: wie zijn deze mensen, wat houdt hun beroep in, hoe kijken ze zelf naar het leven. In een kleine serie heb ik vervolgens geestelijk verzorgers uit de humanistische invalshoek geportretteerd. Die humanistische kant heb ik bewust opgezocht, omdat gelovigen de geestelijk verzorger meestal wel weten te vinden, terwijl niet-gelovigen er vaak geen weet van hebben. Eén ding wist ik zeker: geestelijk verzorgers houden zich bezig met de kwetsbare kant van het menselijk bestaan. En dat alleen al maakt het een boeiend beroep – en onderwerp.”

‘Ik denk soms: waar bemoei ik me eigenlijk mee?’

Tobias Karsten (33), fulltime geestelijk verzorger bij defensie (marine)

Foto Vivian Keulards

‘Het leven is best mysterieus. Hoe geven mensen er betekenis aan? Kunnen we daar überhaupt iets zinnigs over zeggen? Over dat soort vragen denk ik graag na.

Ik heb de masteropleiding humanistiek gevolgd, waarin zelfonderzoek centraal staat: waarom denk ik op een bepaalde manier, hoe kijk ik naar de wereld. Je leert je oordeel uit te stellen, kennis is altijd relatief. Dat is heel belangrijk om te weten.

Mijn eerste stage heb ik gelopen binnen de ouderenzorg, maar ik wist al snel dat dat niet mijn doelgroep is. Ik vond mezelf te jong om aan de slag te gaan met de thematiek van eindigheid en eenzaamheid die in de ouderenzorg zo zichtbaar is.

Ik wilde werken met mensen die midden in het leven staan en die toekomstgericht zijn – met de levensvragen die daarbij horen. Daarom koos ik voor mijn tweede stage het studentenraadswerk.

Na mijn studie heb ik ruim drie jaar gewerkt als studentenraadsman, toen kwam ik de vacature voor humanistisch geestelijk verzorger bij defensie tegen. Het avontuurlijke van dit werkveld past bij mij, het marineleven brengt je op prachtige plekken.

Voordat je hier als geestelijk verzorger aan de slag kunt, doorloop je een militaire opleiding van tien weken. Het peloton bestaat uit specialisten als artsen, fysiotherapeuten en cyberdeskundigen. We zijn niet het stereotype militair, maar moeten toch door de modder leren kruipen.

Ik vond die training fantastisch. Het was ook nodig om de militaire wereld beter te begrijpen. Aan boord vorm je een groep van tweehonderd militairen, die moeten functioneren als een geoliede machine. Dan is er weinig ruimte voor het persoonlijke, maar dat speelt wel altijd mee.

De vragen die ik als geestelijk verzorger krijg, zijn erg uiteenlopend. Thuissituaties zijn vaak van invloed: als je relatie niet lekker loopt, of een familielid is ernstig ziek, dan wordt de afstand tot thuis voelbaar. Je kwetsbaar opstellen en aangeven dat je ergens mee zit, durven ze vaak niet. Mensen lopen daar dan lang mee rond, waardoor ze een zware tijd hebben aan boord.

De zichtbaarheid van geestelijk verzorgers binnen de marine is heel goed. We hebben een vanzelfsprekende plek binnen het geheel, ook aan boord van een schip: het is voor de meeste mensen duidelijk waar we voor zijn. Dat neemt niet weg dat er toch een drempel is om naar ons toe te komen. Als je gezien wordt bij de gv’er, ben je toch een beetje dat zieltje.

Die bezinningsdiensten zijn levensbeschouwelijk heel open. Mocht je sterk gelovig zijn, dan heb je dus een beetje pech

Tobias Karsten

Ik heb veel vrijheid om mijn vak uit te voeren. Dat is een mooi goed, maar het is ook eenzaam. Ik ben een team van één, mijn collega-geestelijk verzorgers zijn op afstand als ik onderweg ben. Ik vraag mij soms af: wie ben ik om aan bemanningsleden te vragen hoe het thuis is, en hoe ze zich voelen, waar bemoei ik me eigenlijk mee?

Het werk vraagt om een constante reflectie op mijn handelen. Het is best een puzzel om op de juiste manier in contact te komen met mensen. Ik geloof dat spontaniteit en oprechte nieuwsgierigheid daarbij het belangrijkste zijn.

Het is fijn als mensen enthousiast reageren wanneer ik weer aan boord stap. Ik voel me dan onderdeel van de bemanning. Op het schip word ik wel eens gekscherend de pater genoemd, of hura, de afkorting voor humanistisch raadsman. Als ik dan langsloop zingen ze in koor: hieperdepiep hura!

Als geestelijk verzorger ben ik geen behandelaar. Onze gesprekken kunnen wel therapeutisch zijn, maar dat is niet het doel. Mijn doel is menselijk contact en ruimte voor zelfonderzoek bieden. Bij een psycholoog of psychiater ben je patiënt, moet je een afspraak maken en ga je een traject in. Wanneer ik merk dat mensen groeien in het contact dat ik met ze heb, als ze wat meer ruimte ervaren in hun situatie, voel ik me van toegevoegde waarde.

Ik organiseer bezinningsdiensten aan boord. Het woord zegt het al, het is letterlijk je zinnen verzetten en je bezinnen. Voor sommigen is dat: even niet werken en afleiding zoeken. Ik krijg wel eens de vraag: mag ik ook even komen pitten? Ik vind dat geen probleem, kom maar gewoon lekker ontspannen.

Die bezinningsdiensten zijn levensbeschouwelijk heel open. Mocht je sterk gelovig zijn, dan heb je dus een beetje pech. Vanuit mijn humanistische achtergrond doe ik daar niet veel mee. Maar stel dat iemand aan boord overlijdt en ik moet een afscheidsritueel vormgeven dat bij zijn of haar religie past, dan zou ik dat zeker doen. Daar heb ik passende teksten voor bij de hand. Het religieuze inspireert me wel, maar ik herken me meestal niet in de georganiseerde religie. Het is niet mijn taal. Ik maak rituelen graag persoonlijk, met mijn eigen woorden.

Mijn droom is: een plek realiseren waar mensen naar toe kunnen komen voor rust en inspiratie. Een oude boerderij ergens buitenaf, die ik omtover tot een soort modern klooster. Wie weet kan ik zo meebouwen aan een mooiere wereld.”

‘Ook als je niet gelovig bent, kunnen rituelen je helpen’

Merel (27), 16 uur humanistisch geestelijk verzorger bij Penitentiaire Inrichting Alphen a/d Rijn.

Foto Vivian Keulards

‘Op de vrije basisschool kreeg ik al verhalen mee uit diverse levensbeschouwelijke stromingen. Ik zag dat ze eigenlijk allemaal hetzelfde proberen te verklaren: wat betekent het om mens te zijn? Als ze allemaal dezelfde vraag proberen te beantwoorden, dacht ik, is er misschien niet één antwoord, maar zijn er meerdere visies. Dat maakte dat ik uiteindelijk humanistiek ben gaan studeren.

De penitentiaire inrichting is een dankbare plek om te werken, mensen zijn blij dat je er bent. Ze zijn zich ervan bewust dat je hier niet hoeft te zijn, maar er toch bent. Als geestelijk verzorgers werken we vanuit denominaties, ik heb collega’s van verschillende godsdiensten en levensbeschouwingen, de gedetineerden mogen kiezen.

Zelf houd ik individuele gesprekken en groepsgesprekken, ook organiseer ik wekelijkse bezinningsbijeenkomsten. In die bijeenkomsten richt ik me een uur lang op een bepaald thema, waarover we met elkaar in gesprek gaan. Er zijn vaak vrijwilligers bij, voor de gedetineerden is het fijn een gesprek te hebben met mensen van buiten. Een gedetineerde zei een keer: die bijeenkomsten zijn voor mij als een venster op de wereld.

Tijdens de bezinningsbijeenkomsten probeer ik een warme sfeer neer te zetten, er is muziek en ik maak gebruik van filosofie. We focussen op andere thema’s dan de gedetineerden normaal op de afdeling bespreken, ik kies thema’s die ze herkennen uit hun eigen leven. Zoals het hokjes denken: als ze straks vrijkomen, hebben ze het label van ex-gedetineerde. Anderen zien dan misschien niet meer wie ze echt zijn.

Ze kunnen bij mij ook altijd een kaarsje aansteken. Veel mensen denken dat dat religie-gerelateerd is, maar dat is niet zo. Het is een moment om even stil te staan, een symbool van hoop in moeilijke tijden. Daar wordt vaak enthousiast op gereageerd, er worden soms wel twee of drie kaarsjes aangestoken.

Ik denk dat veel gedetineerden er niet beter van worden als ze langer binnen zouden zitten

Merel

Wat ze gedaan hebben, weet ik vaak niet als ik de gedetineerden voor het eerst ontmoet. Dat is een verschil met bijvoorbeeld een psycholoog, die leest van tevoren over iemand. Ik kies er bewust voor om dat niet te weten bij een eerste kennismaking, zo leer ik ze eerst kennen als mens. Daarna pas spreek ik met hen over hun delict.

De vrijheid en verantwoordelijkheid om je leven zelf vorm te geven, spelen binnen het humanisme een belangrijke rol. Omgaan met vrijheid en verantwoordelijkheid is niet altijd makkelijk, het is iets wat niet iedereen geleerd heeft. Zonder te moraliseren, probeer ik gedetineerden te helpen verantwoordelijkheid voor hun leven te nemen.

Natuurlijk ben ik me ervan bewust dat ik als jonge vrouw in een mannengevangenis rondloop. Ik heb het idee dat er daardoor juist respect is vanuit de jongens. Ik vermoed dat een man in deze rol harder moet werken om een groep mee te krijgen, dat ze dan sceptischer zijn. De meningen zijn ongezouten hier, ze reageren hoe dan ook.

Er wordt door het personeel wisselend aangekeken tegen het vak van geestelijk verzorger. De één denkt: het is koffiedrinken en lief doen tegen gedetineerden, allemaal zacht gedoe. Anderen zien de toegevoegde waarde, die weten dat gedetineerden tot rust kunnen komen na een gesprek met ons.

Het resultaat van ons werk is niet altijd direct te zien, als geestelijk verzorgers moeten we vechten voor onze zichtbaarheid. We werken samen met het behandelteam, maar met behoud van ambtsgeheim en verschoningsrecht. Daar kunnen we ons ook op beroepen als de rechter ons vraagt om te getuigen: het is een vrijplaatsfunctie. Daardoor durven gedetineerden verhalen te vertellen die ze niet met een ander zouden delen.

Dat maakt mijn beroep ook wel eens eenzaam. Ik hoor heftige levensverhalen, waar ik deelgenoot van word en waar ik niet met anderen over kan praten. Ook kom ik wel eens in de media verhalen tegen over een gedetineerde, over wie ik dan niet kan roepen dat ik hem als een heel ander iemand heb leren kennen.

Er wordt in de buitenwereld hard geoordeeld over gedetineerden, mensen vinden toch vaak dat ze nog langer gestraft moeten worden. Maar ik denk dat veel gedetineerden er niet beter van worden als ze langer binnen zouden zitten. Het wordt dan steeds lastiger om je leven buiten weer op te pakken.

In de toekomst wil ik me graag verder ontwikkelen in humanistische rituelen, binnen de gevangenis, maar ook daarbuiten. Dat is in opkomst. Mensen die gaan trouwen en een ceremonie willen houden, niet volgens de kerkelijke rituelen, maar een ceremonie die gaat over de verbinding van mensen. Dat kan ook op andere momenten, bijvoorbeeld wanneer je met pensioen gaat. Dat is ook zo’n moment waarop het leven gaat veranderen en het belangrijk is om daar bij stil te staan. Ook als je niet gelovig bent, is het fijn om bepaalde momenten te markeren met een ritueel.”

‘Ik wil het niet te katholiek maken, dus we zingen ook liedjes uit de oude doos’

Marc Eyck (52), 24 uur geestelijk verzorger bij De Zorggroep (Limburg)

Foto Vivian Keulards

‘Mijn vader was katholiek en mijn moeder protestant, ze moest katholiek worden om met mijn vader te kunnen trouwen. Ikzelf ben humanistisch christen, ik ga niet naar de kerk en wil me ook niet verbinden aan een denominatie.

Binnen ons gezin was ruimte voor het geloof, maar er werd niets opgelegd. Toch zat de voorliefde voor geloof, mystiek en levensvragen er bij mij al vroeg in: op mijn twaalfde las ik al boeken over parapsychologie en mystiek. Na een paar andere opleidingen en banen heb ik de masteropleiding tot geestelijk verzorger gevolgd.

Een studie kan het een en ander verhelderen, maar het vak van gv’er moet in je zitten. Je moet goed met mensen kunnen praten en geen gêne hebben om rituelen uit te voeren. Je moet dus ook een beetje een podiumbeest zijn. Ik ben naast geestelijk verzorger ook dichter, daarin probeer ik datzelfde te bereiken.

Ik wilde specifiek met ouderen werken. Dat is niet makkelijk, het vraagt veel creativiteit aan interventies en rituelen, maar bovenal geduld. Het is ook een mythe dat ouderen milder worden met de jaren.

Het begint ermee dat je het vertrouwen van de bewoners moet winnen. Ik noem me hier in het verzorgingstehuis pastor, dat woord kennen ze beter dan de term geestelijk verzorger. Een pastor houdt zich niet alleen bezig met religie, maar ook met existentiële vragen en zingeving.

Ik schrijf met regelmaat een column in het blad van ons tehuis. Daar heb ik bijvoorbeeld geschreven over pesten, want ook onder bejaarden wordt gepest. Stel dat je als kind gepest bent en je komt die pester vervolgens weer tegen in het verzorgingstehuis. Oude patronen herhalen zich dan, dat is niet fijn. Of stel dat je tot op hoge leeftijd zelfstandig woonde en door een lullige val naar een verzorgingstehuis moet, met allemaal vaste regeltjes en gezette tijden die niet de jouwe zijn. Dat kan zorgen voor een existentiële crisis. Over dat soort onderwerpen schrijf ik, want die maak ik dagelijks mee.

Moslims willen een ruimte om te bidden en om hun voeten te kunnen wassen. Zie dat maar eens te regelen binnen een verzorgingstehuis

Marc Eyck

De oudere lichting aan geestelijk verzorgers, die nu langzaamaan met pensioen gaat, had een vrijhavenfunctie. De cliënt werd blanco benaderd, ze wilden niet weten wat er in een dossier stond. Ook konden ze op elk willekeurig moment de afdeling opwandelen en vragen of er nog iemand behoefte had aan een gesprek. Dat is nu echt anders, er wordt met de verpleging overlegd of het uitkomt, wie er behoefte heeft aan een gv’er en waarom. Het is veel meer teamwork. Ook worden de kamers van de mensen in het verzorgingstehuis beschouwd als zelfstandige woningen, ik zou me bezwaard voelen om daar te pas en te onpas als een halve sinterklaas naar binnen te lopen. Ik maak afspraken met bewoners, als geestelijk verzorger dring ik me niet op.

Wat wel hetzelfde is gebleven: binnen de ouderenzorg zijn rituelen van het allergrootste belang, vaak belangrijker nog dan woorden. Laatst was een vrouw bang voor inbrekers. Dan kan ik haar wel drie keer vertellen dat ze veilig is binnen ons huis, maar dat helpt niet. Als ik vervolgens voorstel om te bidden en te vragen om inbrekers weg te houden, knapt zo iemand enorm op.

Kleine sfeervieringen zijn ook erg gewild. Dan steken we kaarsjes aan, zingen een christelijk lied, bidden met elkaar en halen aan de hand van foto’s herinneringen op. Zo’n viering wil ik niet al te katholiek maken, iedereen moet kunnen aanschuiven. Daarom zingen we soms ook een liedje uit de oude doos, zoals Twee Motten van Dorus.

Er komt nu een andere generatie bewoners aan, die niet geloven en misschien geen behoefte hebben aan een christelijke viering. Er zal dus een verandering plaats moeten vinden binnen ons vak. En dat wordt een uitdaging, want in de praktijk is het best lastig om volledig nieuwe rituelen te bedenken. Ik ben benieuwd hoe zich dat gaat ontwikkelen, het merendeel van de geestelijk verzorgers is toch nog steeds christelijk en spreekt in die christelijke taal.

Ook zijn er straks meer moslims. Die willen een ruimte om te bidden en om hun voeten te kunnen wassen. Zie dat maar eens te regelen binnen een verzorgingstehuis. De christelijke kapel is al gesloopt en tot stiltecentrum omgebouwd.

En is een fulltime job als gv’er nog wel te verantwoorden in een tijd van zorg-op-maat? Je hebt ook al psychologen, verzorgers en vrijwilligers binnen de ouderenzorg, die ook veel doen aan diepere gesprekken, zorg en troost. Ik zie nog geen einde van onze beroepsgroep, maar om in de toekomst overeind te blijven zullen we wel scherp moeten blijven op de inhoud en de breedte van ons werk.”