Waarom heel Den Haag er nu op uit is de VVD vol op het gezicht te raken

Deze week: hoe Buma’s openhartigheid de coalitie redde.

Ofwel: weer een ruk naar links voor Rutte III, en de bange vraag: hoelang trekt de VVD dit nog?

Het verlangen de VVD te vloeren is lange tijd niet zo groot geweest in de landspolitiek. Van zeer links tot uiterst rechts – iedereen is tot een vrijwillige bijdrage bereid.

Je kon het woensdag, na het debat over het kinderpardon, live op nationale televisie zien.

Het was pauze in de Kamer. De camera’s registreerden hoe, in afwachting van het debat over het ontwerp-Klimaatakkoord, PvdA-leider Asscher afliep op collega Wilders (PVV). Baudet (FvD) kwam erbij staan.

Uit hun lichaamstaal sprak dat zij tevreden waren over een gezamenlijk plannetje.

Achteraf kreeg ik uitgelegd dat Asscher de PVV-baas aansprak op een opmerking van hem ’s ochtends, bij het begin van het debat over het kinderpardon.

Wilders klaagde toen dat de fractievoorzitters uit de coalitie niet meededen, hoewel zij er dagen in crisissfeer over hadden onderhandeld.

Asschers punt was dat Dijkhoff, ondanks zijn eerdere interview met De Telegraaf, nu ook zou wegblijven bij het debat over het ontwerp-Klimaatakkoord. Niet erg moedig. De schoolpleingrappen gingen al rond: klimaatspijbelaar, Duikhoff.

En de PvdA’er had geregeld dat bijna alle oppositiepartijen gingen zeggen: zonder Dijkhoff geen debat.

De vraag was of Wilders ook meedeed.

Nou, dat wilde Wilders wel. En Baudet ook.

Zo zagen we kort daarna aan de microfoon van de Kamer dat de oppositie over de volle breedte, van SP tot en met FvD, uitstel afdwong totdat Dijkhoff beschikbaar was voor het klimaatdebat (waarna de VVD-voorman ’s avonds alsnog deelname voor volgende week toezegde).

Het typeert de politieke tijdgeest: PVV en PvdA, die allebei eerder een kabinet-Rutte steunden, en elkaar jarenlang verketterden, werken nu gretig samen om de VVD vol op het gezicht te raken.

Ook de afloop van het coalitieconflict over het kinderpardon oogde ongunstig voor de VVD – al lag dit ingewikkelder dan het misschien in eerste instantie leek.

Voor de coalitie zelf was het, als je het achteraf overzag, vermoedelijk zo slecht nog niet.

Een politieke samenwerking heeft vaak zicht op de afgrond nodig om haar reden van bestaan terug te vinden.

Afgelopen maandag was cruciaal. CDA, D66 en CU bepleitten al een week verruiming van het kinderpardon, de VVD hield vast aan het regeerakkoord.

Ook Rutte had de week tevoren, telefonisch vanuit het buitenland, de partijlijn uitgedragen door dreigend te spreken over „rode lijnen” die de coalitiepartners niet moesten passeren.

Zo leken tot maandagochtend maar twee oplossingen kansrijk: iets procedureels met een commissie, of gewoon uitstel.

Buma brak de ban. Hij legde collega-fractievoorzitters die maandag uit dat zijn partij zulke oplossingen nooit zou accepteren.

Hij zei: anders voorzie ik dat mijn partijcongres me op 9 februari tot de orde roept, en dan zitten we hier 11 februari weer – maar dan met een groter probleem.

Eén fractievoorzitter concludeerde voor zichzelf, zo vertelde hij later zijn medewerkers: als we dit niet oplossen verliezen we het CDA – en dus de coalitie.

In de VVD-top ging de constatering rond dat Buma blijkbaar de controle over zijn partij kwijt is.

Toen ging alles schuiven. De VVD stemde alsnog in met openbreken van het regeerakkoord – de versoepeling van het kinderpardon – en verlegde het debat: dan moesten de coalitiepartners een prijs betalen.

Intern was de calculatie sober stemmend: de VVD moest wel; de partij had geen alternatief.

Zelfs als Dijkhoff het hard speelde, en het kabinet gewoon liet vallen, zou ze de kinderpardondiscussie verliezen: daags na Ruttes gang naar de koning zou een Kamermeerderheid het kinderpardon alsnog versoepelen: dan verloor de VVD het kabinet én het kinderpardondebat.

Een blik in de formatiearchieven deed de rest: destijds wisselden Dijkhoff en Voordewind (CU) al varianten uit die deze week werden aangewend om de deal rond te maken – en zo de draai van de VVD te verzachten.

Het leek een fair Hollands compromis. Niet gesloten uit enthousiasme, wel in de wetenschap dat een alternatief ontbrak.

Al speelden voor de betrokken politiek leiders ook andere factoren.

In de VVD zeiden sommigen achteraf: de val van Rutte III zou ons vermoedelijk Rutte én Dijkhoff hebben gekost; de laatste omdat zijn klimaat-interview in De Telegraaf in een deel van de partij is opgevat als vadermoord.

In D66 wisten ze: een val van Rutte III had een discussie over het partijleiderschap gebracht, die voor Jetten te vroeg kwam.

En na maandag was voor iedereen duidelijk dat ook Buma’s relatie met zijn partij geen garanties voor de toekomst biedt.

De pijn van het regeren: wie er eenmaal aan is begonnen, vindt niet gemakkelijk meer de kracht om eruit te stappen.

Maar wat ook opviel: aan afspraken over volgende hoofdpijndossiers – rekeningrijden, Klimaatakkoord – waren ze niet toegekomen, wat illustreert dat we hier te maken hadden met een compromis van zeer beperkte reikwijdte – hooguit tot na de Statenverkiezingen.

En daar kwam iets bij: het was de zoveelste keer dat deze coalitie gedwongen werd een ruk naar links te maken.

We zagen dit eerder rond de dividendbelasting en de arbeidsgehandicapten, we zagen het deze week rond het kinderpardon, en inzake klimaat dient het volgende geval zich al aan: je kunt in de coalitie nu al horen dat de CO2-heffing voor de industrie, die de VVD in december nog tegenhield op voorspraak van werkgevers, er vrijwel zeker komt.

Dus: met succes wist de linkse oppositie Rutte III te framen als het kabinet van Unilever en de werkgeverslobby. Maar de werkelijkheid is: linkse lobby’s daartegen, van binnen maar vooral van buiten de Kamer, blijken keer op keer veel sterker.

Zo vertellen al die rukjes naar links ook iets heel anders over de huidige politiek.

Lobbyende activisten van buiten de Kamer hebben blijkbaar meer impact dan de linkse oppositie binnen de Kamer: het zou parlementair links eigenlijk te denken mogen geven.

Je krijgt het idee dat de drie linkse leiders – Klaver, Marijnissen, Asscher – veel populairder zijn dan hun eigen partij.

En dat ze alle drie, en zeker Klaver, sterk zouden profiteren als ze niet langer het imago van hun partij zouden meezeulen.

Anders gezegd: wie nu nog niet ziet dat politiek links zich anders moet organiseren, met minder nadruk op verschillen, en minder ballast uit het verleden, zal het vermoedelijk nooit zien.

Maar het meest ontnuchterende feit is dat links in peilingen, ondanks alle linkse successen, nog steeds erg beperkte winst ten opzichte van 2017 boekt. Terwijl de rechtse nationalisten, Wilders en Baudet, zeker de laatste tijd uitbundig profiteren van de sores van de VVD in Rutte III.

De optelsom: links voert de beste lobby’s, de VVD remt af, de coalitie dwingt Rutte en Dijkhoff uiteindelijk mee te bewegen – maar de kiezer neemt (voorlopig) een scherpe bocht naar rechts.

Ooit noemde CU-voorman Segers Rutte III de laatste kans voor het politieke midden.

Maar met de stapsgewijze verschuiving van de coalitie naar links, waaraan Segers zelf debet is, wordt de voornaamste vraag voor de komende tijd hoelang de VVD, ook gezien de aanvallen van alle kanten, nog leiding wil geven aan dit politieke midden.