Op weg naar de heerschappij van de Chinese dollar

Reservemunt Rond 2030 zal China naar verwachting de grootste economie ter wereld hebben. Wordt de Chinese renminbi dan de nieuwe dollar? Grote kans. Al valt dat op dit moment nog moeilijk voor te stellen.

Illustratie Pepijn Barnard, Studio NRC

We zijn er zo aan gewend geraakt dat we het bijna niet meer waarnemen. De Amerikaanse dollar is de maat aller dingen in de wereld. Het ijkpunt. De voornaamste bron van financiering, de noemer waarin internationale statistieken worden uitgedrukt. De munt waarin vrijwel alle grondstoffen worden afgerekend. Het ultieme machtsmiddel. De valuta die iedereen wil hebben, móét hebben. De schout die toeziet op de naleving van Amerikaanse sancties tegen andere landen.

En, niet in de laatste plaats, een onuitputtelijke fontein van goedkoop geld voor het land met de hand op de geldpers, de Verenigde Staten zelf. De dollar is, zoals de Franse minister van Financiën (en latere president) Giscard d’Estaing het in de jaren zestig uitdrukte, een „exorbitant privilege”. En wie wil dat nu niet?

Het is niet altijd zo geweest. In de negentiende eeuw was de positie van ‘reservemunt’ voorbehouden aan het pond sterling, de munt van het wereldomspannende Britse rijk. En hoewel de economie van de jonge, dynamische Verenigde Staten die van het Verenigd Koninkrijk al rond 1870 in omvang voorbijstreefde, zou het nog ruim een halve eeuw duren voor sterling definitief door de dollar van de troon gestoten werd. Pas in 1944 werd de nieuwe wereldmunt officieel gekroond. Met het einde van de Tweede Wereldoorlog in zicht smeedde een internationaal gezelschap van ministers, economen en centrale bankiers in het plaatsje Bretton Woods onder Amerikaanse leiding een nieuw, na-oorlogs monetair-economisch stelsel.

Elk land kreeg een vaste wisselkoers tegenover de Amerikaanse dollar, die op zijn beurt inwisselbaar was voor goud. Er kwam een Internationaal Monetair Fonds om de integriteit van het nieuwe systeem te bewaken en landen met betalingsmoeilijkheden te helpen. En een Internationale Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling voor de vernielde na-oorlogse economieën. Deze ‘Wereldbank’ zou zich na de grootscheepse dekolonisatie van rond 1960 vooral gaan richten op wat ‘ontwikkelingslanden’ zouden gaan heten.

Euro geen concurrent

Hoewel de vaste dollarkoers begin jaren zeventig onhoudbaar bleek, is dit systeem nog grotendeels intact. De EU heeft de puinhoop van zwevende wisselkoersen van zijn lidstaten na het klappen van Bretton Woods uiteindelijk weten te bezweren met de euro. Maar een concurrent van de dollar is die euro, ondanks grote plannen bij de introductie in 1999, nooit geworden.

De dollar is nog steeds de onbetwiste ‘reservemunt’. Hij heerst in het internationale betalingsverkeer, bij meer dan 90 procent van alle valutatranscaties is de dollar betrokken, en de deviezenreserves die landen aanhouden als buffer om import mee te kunnen betalen en aan hun internationale verplichtingen te voldoen, zijn nog steeds overweldigend in dollars.

Maar net zoals eind negentiende eeuw Amerika Engeland voorbijstreefde, gebeurt dat nu met China. Gecorrigeerd voor binnenlandse koopkracht is de Chinese economie al sinds eind 2013 groter dan de Amerikaanse. Die telling is zinloos als het op rauwe internationale macht en invloed aankomt. Dan telt alleen een berekening in harde munten. Zo bezien zal de Chinese economie – die in harde dollars gerekend dit jaar slechts tweederde van de Amerikaanse bedraagt, maar wel veel sneller groeit – zich pas rond het jaar 2030 écht de grootste economie ter wereld mogen noemen.

Zonder horten en stoten zal dat niet gaan. De jonge, onstuimige economie van de Verenigde Staten kende eind negentiende eeuw en de eerste jaren van de twintigste eeuw een reeks recessies waarbij de Lehman-crisis van 2008 verbleekt. China lijkt daarentegen een pad te bewandelen dat zo soepel en voorspelbaar is dat het argwaan wekt. Vergrijzing van de bevolking is een zorg. Maar, zoals Andy Xie, oud-bankier van Morgan Stanley en een van de invloedrijkste commentatoren over China zegt: eens zullen alle 1,36 miljard Chinezen op zijn minst een bescheiden middeninkomen bereiken, vergelijkbaar met bijvoorbeeld dat van de Taiwanezen. Op dat moment is de Chinese economie even groot als die van Noord-Amerika en Europa samen.

Hoe de wereld er dan in geopolitieke zin uitziet, is voer voor speculatie. Één ding ligt voor de hand: bij de toenemende macht hoort straks ook een vooraanstaande positie van de Chinese munt, de renminbi. Het bereiken van die status is een langzaam en uitgekiend proces. In 2016 bereikte China een voorlopige mijlpaal: de renminbi werd opgenomen in het valutamandje van het Internationaal Monetair Fonds. De rekenmunt van het IMF, het zogenoemde Special Drawing Right (SDR), is een gemiddelde van de belangrijkste valuta van de wereld: vooral dollars, maar ook euro’s, pond sterling, Zwitserse francs en Japanse yen. Nu hoort de renminbi daar ook bij, en weegt voor 8 procent in het SDR. Dat betekent dat de Chinese munt deel uitmaakt van de valutareserves van veel landen. Dat is overigens, met gemiddeld 2 procent van al die reserves, nog bescheiden. Maar het groeit.

Illustratie Pepijn Barnard, Studio NRC

De Chinese centrale bank heeft intussen ook zogenoemde swaplijnen geopend met andere centrale banken, waaronder die van Japan, Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Zo kunnen deze centrale banken over en weer beschikken over elkaars munt, om daarmee eventuele tekorten in hun financiële systeem aan te zuiveren. Een dollar-euroswaplijn tussen de Europese Centrale Bank en de Amerikaanse Federal Reserve was in 2008 bijvoorbeeld cruciaal om te verhinderen dat de geldmarkt in Europa volledig zou opdrogen.

Olie in renminbi

Een jaar geleden beleefde de termijnbeurs van Shanghai een belangrijke primeur. Olie is altijd verhandeld in dollars. Maar in februari 2018 begon in het Chinese financiële centrum de handel in olietermijncontracten in renminbi. Voor het eerst hoeft China, met 9 miljoen vaten per dag de grootste olie-importeur ter wereld, geen direct valutarisico op olie te lopen, en heeft het geen dollars meer nodig om olie te importeren. Andersom komen er nu meer renminbi’s in omloop in het internationale financiële stelsel. En net als de ‘petro-dollars’ gaan deze ‘petro-yuans’ (renminbi en yuan zijn inwisselbare namen voor de Chinese munt) vanzelf een eigen leven leiden.

Lees ook de column: China’s volgende stap: de ‘petro-yuan’

Alleen al de laatste weken van renminbi-nieuws zeggen intussen genoeg: de Londense City, die het grootste renminbi-centrum buiten China wil zijn, berichtte dat de valutahandel in renminbi die van euro’s tegen pond sterling inmiddels in omvang heeft overtroffen. Bloomberg, de handelsfirma in financiële data, neemt Chinese staatsleningen op in zijn beleggingsindexen. Dat zal grote investeerders die dit soort indexen volgen er uiteindelijk toe dwingen deze obligaties in hun portefeuille op te nemen.

Kredietbeoordelaar Standard & Poor’s begint met ratings van obligaties op het Chinese vasteland. De Russische centrale bank liet begin januari weten haar dollarreserves te gaan verminderen ten faveure van renminbi’s. Het aandeel van de Chinese munt in de Russische reserves verdrievoudigt, van 5 naar 15 procent. Intussen legt Beijing een infrastructuur aan die een alternatief moet vormen voor IMF en Wereldbank. Sinds 2010 geldt de overeenkomst van Chiang Mai, waarin Aziatische landen elkaar in tijden van nood monetaire steun toezeggen. De daarna opgerichte Aziatische Infrastructurele Investeringsbank (AIIB) is een succes, zeker toen tal van Europese landen zich er vier jaar geleden, zeer tegen de Amerikaanse wens, schielijk bij aansloten. Standplaats sinds 2015: Beijing. Samen met India, Rusland, Brazilië en Zuid-Afrika is door China inmiddels ook de New Development Bank opgericht, eveneens een multilaterale ontwikkelingsbank. Standplaats sinds 2016: Shanghai.

Niet alles gaat nog zoals Beijing wenst. De Nieuwe Zijderoute, het stelsel van wegen, spoorlijnen en havens dat China naar zijn verre achterland aanlegt, kan op dit moment niet geheel zonder dollarfinanciering worden aangelegd. En in de zomer van 2015 liep de opmars van de renminbi een flinke deuk op, toen China de koers van de munt onverwacht liet verzwakken. Het heeft lang geduurd om die reputatieschade weer in te halen.

Lees ook: China maakt vrienden, het Westen vooral vijanden

Japan als schrikbeeld

Tegelijk is er altijd de angst door het Westen om de tuin te worden geleid. Japan is het schrikbeeld. In 1987, toen de Amerikaanse dollar onder invloed van het beleid van president Reagan maar bleef stijgen, kwamen de zeven grootste industrielanden samen in het New Yorkse Plaza-hotel om de sterke dollar te verzwakken.

Voor westerse landen is dit akkoord nog steeds een schoolvoorbeeld van samenwerking. In Azië wordt daar heel anders tegenaan gekeken: als een effectieve manier waarop het destijds opkomende Japan buiten gevecht werd gesteld. De yen werd na het akkoord zo sterk dat de export van Japan uit de markt werd geprijsd, en de binnenlandse prijzen van aandelen en onroerend goed er door het dak gingen. Toen de zeepbel een paar jaar later barstte, ging Japan decennia van stagnatie tegemoet.

De afkeer van de Verenigde Staten groeit, en van de dollar als politiek wapen

Of deze lezing nu juist is of niet: China laat zich dat niet gebeuren. En zo bewandelt Beijing een nauw pad tussen een renminbi die sterk en betrouwbaar genoeg is om het op termijn te kunnen schoppen tot reservemunt van de wereld, maar weer niet zó sterk dat China zichzelf uit de markt prijst. Een munt, bovendien, die zich niet door het internationale kapitaal laat koeioneren.

Een reservemunt is een vluchtmunt: een baken en toevluchtsoord in bange tijden. Toen in 2008 Lehman omviel en het internationale financiële systeem in het ongerede raakte, renden beleggers naar dollars: de munt van het land waar de problemen nu juist waren begonnen. Dat is ironie, maar er was nu eenmaal niets anders om naartoe te gaan.

Maar niemand vlucht in een munt waarvan niet zeker is of je er ook weer uit kunt. Om van de renminbi de nieuwe reservemunt te maken, met alle ‘exorbitante privileges’ die daarbij horen, zal China een open kapitaalrekening met het buitenland moeten hebben. Geld kan er dan makkelijk in, en weer uit. Dat is op dit moment geenszins het geval. Beijing zou het lot van de eigen economie voor een deel onderhevig moeten maken aan de nukken van het vluchtige, internationale kapitaal. De bereidheid daartoe is niet groot.

Eén winnaar

Misschien hoeft dat ook niet. De afkeer van de Verenigde Staten groeit, en van de dollar als politiek wapen. De Europese Unie werkt bijvoorbeeld aan een dollarloos alternatief internationaal betaalsysteem, omdat de Amerikanen het opnieuw instellen van de sancties tegen Iran simpelweg via de dollar afdwingen.

De wereld leefde lang volgens de regels van wat de ‘Washington-consensus’ is gaan heten: het opgelegde dictaat van een open economie, vrije markt, vrije concurrentie, zwevende wisselkoersen en onbeperkte toegang van kapitaal. China volgt met zijn eenpartij-kapitalisme binnenlands al een andere weg.

Komt er straks een ‘Beijing-consensus’, waarbij de Chinese ideologie van het beteugelde kapitalisme wordt geëxporteerd? Bij zo’n versie past een nieuwe reservemunt, met andere regels. Zo’n Chinese dollar kan nog lang duren. Zoals de wereldpolitiek langzaam overgaat in een ‘multipolair’ systeem, waarin verschillende grootmachten naast elkaar bestaan, zo zullen ook verschillende wereldmunten naar de macht dingen. Maar als de geschiedenis een leidraad is, is er uiteindelijk maar plek voor één winnaar.

Bekijk ook de uitzending van VPRO Tegenlicht over dit onderwerp: De Chinese dollar, zondag 3 februari, 21.05u. NPO2
    • Maarten Schinkel