In één jaar 143 schapen nodeloos gedood door wolf

Alledaagse Wetenschap Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen. Deze week: moeten we bang zijn voor de komst van wolven?

Moeten we blij zijn met de terugkeer van de wolf, of om precies te zijn: met de komst van twee Duitse wolven? Veel natuurliefhebbers menen van wel, ze zien er het bewijs in dat het weer goed gaat met de Nederlandse bossen en beemden, het is de kers op de taart, alles komt toch nog op z’n pootjes terecht. Stadsuitbreiding, wegaanleg, intensieve landbouw en massatoerisme bleken echt wel te combineren met pure natuur. We wachten nog op de komst van de veelvraat, de lynx en de bruine beer. Als die er eenmaal zijn is alles weer zoals het hoort, dan is het snel gedaan met die rare moeflons, oerrunderen en konikpaarden.

Juist dat de twee Duitse wolven hier op eigen kracht naartoe kwamen is zo overtuigend. De Pyreneeën kregen hun Karpatenberen per vrachtauto bezorgd, dat deed de acceptatie onder schaapherders, jagers en bosbouwers geen goed. Toch leeft ook hier onder boeren en buitenlui weinig enthousiasme. De wolf is nu eenmaal een verscheurend roofdier, levensbedreigend voor kinderen, loslopende honden en kleinvee: schapen in het bijzonder. Men laat niet na de gevaren zwaar aan te zetten.

Zo is op 5 januari door Europarlementariër Annie Schreijer-Pierik op de televisie beweerd dat er al 40 wolven in Nederland leven en dat dat er binnen enkele jaren een paar duizend kunnen zijn. De krant heeft dit in een factcheck (9 januari) weerlegd, maar moest bevestigen dat in 2018 al 143 schapen waren doodgebeten. Anderzijds is beklemtoond dat wolven in onze omgeving veel liever reeën, hazen en wilde zwijnen eten. Vee staat maar voor één procent op het menu.

In een ingezonden brief (12 januari) is erop gewezen dat consumptie van 143 schapen binnen één jaar wel wat veel lijkt voor twee wolven, zeker als die twee er nog voor 99 procent andere prooi aan toe moesten voegen. Er zouden dus wel degelijk meer dan twee wolven in Nederland rondlopen.

Dit is een misverstand. Veel schapen werden gedood, maar niet opgegeten, zelfs nauwelijks aangevreten. Kijk het na op de site www.bij12.nl. In maart werden bij Venlo 9 schapen gedood, in mei 11 bij Hollandscheveld en 15 bij Marum en in juni 31 bij Laag Zuthem. Het waren slachtingen, schapenslachtingen die wolvenliefhebbers bij voorkeur toeschrijven aan afwijkend gedrag van een probleemwolf of aan de onnatuurlijke manier waarop wij hier schapen houden. Zet een vos in een kippenhok en je krijgt net zo’n slachting.

Maar ook dit is een misverstand. Nobelprijswinnaar Niko Tinbergen heeft tijdens zijn onderzoek waargenomen dat vossen bij een nachtelijk bezoek aan een meeuwenkolonie in één keer 230 volwassen meeuwen doodbeten en maar een fractie opaten. Dat was in mei 1963 en niet in een hok, maar in het (Engelse) vrije veld. Tinbergens student Hans Kruuk, ook ooggetuige, heeft het fenomeen later ‘surplus killing’ genoemd. Het is van veel predatoren bekend, niet alleen van vossen en wolven, maar ook van leeuwen, hyena’s, ijsberen, luipaarden, noem maar op. Ecologen, vooral de liefhebbers van grote carnivoren, zitten ermee in hun maag, want het publiek vindt de slachtpartijen niet prettig. Met kunst-en-vliegwerk houden ze staande dat de ‘surplus killing’ van wolven onder elanden, witstaartherten en toendra-kariboes geen extra aantasting van de prooidierpopulaties oplevert.

Het fenomeen is bijna net zo moeilijk te begrijpen als de waarneming dat carnivoren hun prooi maar zelden volledig opeten (‘partial prey consumption’) al is in dat laatste inmiddels wel enige logica gevonden. Het kan energetisch profijtelijker zijn om op zoek te gaan naar nieuwe prooi dan om door te blijven trekken en knagen aan een karkas waaruit het laaghangend fruit al is verdwenen. (En natuurlijk zal vaak ook het gevoel van verzadiging, of de feitelijke verzadiging, een rol spelen.)

Maar helemaal niets opeten van een gedode prooi? Het lijkt nergens goed voor. Ecologen vonden geen betere verklaring dan dat het overbodige doden misschien een oefening in vingervlugheid is, en dat het surplus, als er maar tijd en rust geweest was, later alsnog zou zijn opgegeten (of begraven). Het excessieve doden kan ook gezien worden als sociaal gedrag: een wolf doet het voor zijn welpen of roedelgenoten, en realiseert zich te laat dat die ontbreken. Overtuigend klinkt het niet. Het overmatige doden treedt vooral op als prooidieren moeilijk weg kunnen (hoge sneeuw) of niets merken (stikdonkere nachten met regen). Dan is niet veel behendigheid nodig.

Waar het om gaat is dat schapenslachtingen zeker algemener worden als zich hier meer wolven vestigen en geen speciale maatregelen worden getroffen – daar zijn geen probleemwolven voor nodig. Het hoort erbij.

Wij van AW zien de wolf graag komen, laat dat duidelijk zijn. Maar het is ons niet ontgaan dat er in de twintigste eeuw meer mensen werden gedood door wolven dan door leeuwen, al was dat vooral buiten Europa en kwam het primair van de hondsdolheid. In het Scandinavië van de negentiende eeuw werden met regelmaat mensen door wolven opgegeten, bijna uitsluitend kinderen die in hun eentje zonder begeleiding het bos in waren gegaan. Dat was een fout van die kinderen, niet van de wolven, zeggen ecologen.

    • Karel Knip