Recensie

Recensie Boeken

‘De nieuwe David Attenborough’ schreef een sprankelend boek over dieren (●●●●●)

Dierkunde Zoöloog Lucy Cooke behandelt misverstanden over uiteenlopende diersoorten, van paling tot chimpansee, maar eigenlijk gaat haar boek over de mens. Hoewel feitelijk, sprankelt het.

    • Judith Eiselin

Een belaagde bever knaagt in allerijl zijn testikels af en gooit ze naar de jager. Een nijlpaard schuurt spontaan zijn vel kapot voor een aderlating. Zwaluwen slapen ’s winters diep weggekropen in de modder van de rivier. Vleermuizen houden van gerookte ham, struisvogels eten graag ijzer. Maar niet heus. Onafzienbaar lang en wonderlijk is de lijst ‘verkeerde aannames over dieren door de eeuwen heen’. Ze zijn terug te vinden in encyclopedieën en bestiaria vanaf de Middeleeuwen, maar ook op Wikipedia, want tot op de dag van vandaag wordt er wild gespeculeerd over wat dieren doen, en waarom.

In Wilde verhalen. De ware aard van onbegrepen beesten beschrijft Lucy Cooke misverstanden over uiteenlopende soorten, van paling tot chimpansee, van luiaard tot ooievaar, maar eigenlijk gaat haar boek over ons, de mens, die met hersens die wellicht groter zijn dan goed voor hem is, onvermoeibaar voortgaat met zoeken, speuren, napluizen én fabuleren.

Cooke is beroemd in Engeland. Als zoöloog in opleiding volgde ze colleges bij Richard Dawkins, van wie ze leerde kijken en relativeren: ‘[...] elke generatie, ook de mijne, denkt weer meer over dieren te weten dan de vorige, terwijl we er nog steeds regelmatig naast zitten. Zoölogie is vaak niet meer dan gefundeerd giswerk.’ Na haar studie werkte ze als producent bij de televisie, aanvankelijk voor comedy, later voor (natuur)documentaires, die ze ook ging presenteren.

Aanstekelijk plezier

Tegenwoordig wordt Cooke wel ‘de nieuwe David Attenborough’ genoemd. En terecht! Als iemand deskundig, met aanstekelijk plezier kond doet van dieren en hun wereld, is zij het wel. Haar toon is echter heel anders dan die van Attenborough: Cookes stijl lijkt eerder op die van Bill Bryson of zelfs J.K. Rowling. Cooke heeft een groot gevoel voor humor. Haar beschrijvingen zijn het tegenovergestelde van dor. Hoewel feitelijk, sprankelen ze. Als ze op onderzoek gaat naar de als afrodisiacum bekend staande Titicacakikker in Uruguay schrijft ze: ‘de taxichauffeur bestelde zijn wekelijkse weekend-opkikkertje, waarop de vrouw achter de bar een troosteloos uitziende kikker kordaat bij de achterpoten uit het aquarium griste, met zijn kop tegen de toonbank sloeg en pelde als een banaan. [...] Het drankje smaakte zoet en romig en helemaal niet kikkerachtig.’ Zelden lach ik hardop bij een boek, laat staan bij een non-fictieboek, maar Wilde verhalen liet me geen keus. Veel lof gaat hierbij ook naar de soepele, zeer prettige leesbare vertaling.

Tijdens het lezen van dit boek rol je van de ene verbazing in de andere. In het ‘aapjes kijken’ blijkt de mens onverbeterlijk te zijn. In 1911 bestudeerde een Engelse zoöloog en scheepsarts, dr. Levick, twaalf weken lang de adéliepinguin bij Kaap Adare, Oost-Antartica. Zijn bevindingen belandden vier jaar later in Londen bij het Natural History Museum, maar niet in zijn geheel, want: ‘In beschaafde kringen was men bepaald niet klaar voor oversekste pinguïnviespeuken.’ In de als door een wonder toch bewaard gebleven originele aantekeningen blijkt Levick de ‘meest choquerende observaties in het Oudgrieks te noteren – een uit zijn kostschooltijd stammend trucje’: de onervaren mannetjesdieren paren met van alles, zelfs met een lijk.

O, die gekke Engelsen en die rare Victorianen, denk je dan. Maar nee. De mens is nog altijd even gek. In de met een Oscar bekroonde, populaire film The March of the Penguins uit 2005 zien velen een zegetocht van de liefde, de heteroseksuele monogamie. Twee pinguïns trotseren weer en wind om samen te zijn, te broeden en te zorgen voor hun ‘onbestaanbaar donzige’ kuiken. In werkelijkheid zijn ze juist ‘de ergste schuinsmarcheerders’ onder alle pinguïnsoorten, schrijft Cooke. En vaak homo.