Bogense staat al weken op z’n kop voor het WK veldrijden

WK veldrijden Het slaperige havenstadje Bogense, op het Deense eiland Funen, maakt zich op voor een toestroom van 15.000 veldrijfans.

Een deel van het WK-parcours in het havenstadje Bogense, op het Deense fietseiland Funen.
Een deel van het WK-parcours in het havenstadje Bogense, op het Deense fietseiland Funen. Foto Hollandse Hoogte/Belga

Vanuit een tl-verlichte viskraam aan de Vestre Havnevej kijkt een tienerjongen diep verscholen in zijn winterjas uit over de normaal zo slaperige haven van het stadje Bogense, op het Deense eiland Funen. Om de haverklap ziet hij ze voorlangs zoeven, veldrijders die zich in zoveel lagen lycra hebben gestoken dat ze onherkenbaar zijn geworden. Ze rijden met zingende remmen hun eerste verkenningsrondjes op het parcours waar dit weekeinde het WK wordt gehouden; een rondje om de haven plus wat schuine graskanten nabij de kalkwitte Sint-Nicolaaskerk. Een groot gedeelte is asfalt. Bijna WK-onwaardig, zei titelverdediger Wout van Aert.

Om de boel uitdagender te maken zijn zeven demontabele bruggen in en rond de haven neergezet, en het stadje van nog geen vierduizend inwoners ligt bezaaid met dranghekken. „Bogense staat al weken op z’n kop”, zegt Susanne Møller, eigenaresse van het Lunds Hotel, een van de twee hotels in de stad. „Ze bleven maar verbouwen.” Ze wijst naar de overkant van de haven, naar een populair visrestaurant. „Waar die witte tent is neergezet, stonden vorige week nog allemaal huisjes waar je in de zomer kunt eten. Die moesten worden weggehaald, omdat er een banket is voor 500 vips.”

Voor haar hotel, waar alle kamers twee jaar geleden al werden gereserveerd door lieden van wereldwielerunie UCI, is een houten brug gebouwd zodat de veldrijders de haven kunnen verlaten. Møller zegt dat de inwoners van Bogense al jaren om zo’n brug zeuren, maar daar had de lokale politiek nooit geld voor. Dit exemplaar wordt na het weekend weer afgebroken. Møller en haar man Jan genieten ervan zolang het duurt.

In het Kulturhuset zweet Peter Ginnerskov ondertussen peentjes. De hangarachtige hal waar overdekte festivals worden gehouden en soms vergaderd wordt, heeft hij de voorbije weken ingericht voor journalisten, maar dan ben je er nog niet. Twee achterafgelegen kamers moet hij twee dagen voor het WK om zien te bouwen tot een antidopingkantoor. Hij heeft maar een paar minuten om uit te leggen hoe een WK veldrijden naar een gehucht als Bogense kwam, in een land zonder ook maar de geringste veldrijcultuur.

Te plat voor mountainbiken

„Het is nogal een maf verhaal”, zegt Ginnerskov. Hij is evenementencoördinator van het lokale toeristenbureau en tot drie jaar terug had hij nooit van veldrijden gehoord. Hij kreeg in 2016 de opdracht om meer toeristen naar Funen te trekken, maakte niet uit hoe. „Het is een echt fietseiland”, zegt hij, „dus daar moesten we wat mee. De natuur hier is schitterend. Funen is de mooiste fietsbestemming van Noord-Europa. Dan kom je gauw uit op een buitensportevenement.”

Een uitdagend mountainbikeparcours kun je hier niet neerleggen, daar is de omgeving te plat voor. De Ronde van Denemarken (wegwielrennen) passeert de regio elk jaar al, dus er bleef nog één optie over: een WK veldrijden. Waarom niet? Er werd een bid in elkaar gedraaid met een budget van 11 miljoen Deense kronen – 1,5 miljoen euro – en wielerclubs uit de omgeving stapten in, net als de Deense overheid. Vervolgens kwam het aan op de connecties bij de UCI – toerisme Noord-Funen had een kruiwagen nodig. En die vonden ze in Henrik Djernis (50), de enige Deense medaillewinnaar op een WK veldrijden voor eliterenners in de geschiedenis. Bij het WK van 1998, het eerste en tot nu laatste in Denemarken, werd hij derde.

Foto Dennis Boxhoorn

De avond valt over Kalundborg, op het eiland Seeland, het grootste van Denemarken. Djernis runt hier al jaren een fietswinkel. Er staan vooral mountainbikes in zijn etalage. Naast een vitrine met een aantal van zijn oude helmen en een bokaal voor ‘Danish Rider of the Year’ staat een stokoude veldrijfiets van Italiaanse makelij. Daarop begon zijn veldcarrière.

Djernis was in 1988 de absolute pionier van het Deense veldrijden. Met die sport viel geen droog brood te verdienen, als hij wilde racen in Nederland en Vlaanderen moest hij telkens een logeeradres zien te regelen. In die jaren verdiende Djernis zijn geld als mecanicien en in de zomermaanden als mountainbiker. Van 1992 tot 1994 werd hij in die discipline wereldkampioen. Maar van alle successen, bewaart hij aan die bronzen veldrijmedaille de beste herinneringen. „Ik werd aangemoedigd door zoveel landgenoten, dat had ik nog nooit meegemaakt”, vertelt hij in de keuken van zijn winkel. „De sport is niks in Denemarken, maar toch waren er tienduizend mensen naar Middelfart gekomen.” Middelfart 1998 werd een succes, maar toch zou het nog 21 jaar duren voor de sport terugkeerde naar Scandinavië.

Een bekende naam

In de herfst van 2016 kreeg Djernis een telefoontje van Peter Ginnerskov. Djernis was de enige naam in de Deense veldrijsport die ze bij het toeristenbureau van Bogense hadden kunnen bedenken. Of hij hen kon helpen het WK binnen te halen. „Een bekende naam is bij de toewijzing van zo’n toernooi belangrijk”, zegt Djernis. Hij belde met generatiegenoot Peter Van Den Abeele, tegen wie hij nog wedstrijden gefietst had in de jaren negentig. De Belg is nu directeur off road bij de UCI. De juiste man om je licht bij op te steken.

In januari 2017, tijdens het WK veldrijden in Bieles (Luxemburg), maakte de toenmalige UCI-voorzitter Brian Cookson bekend dat het WK van 2019 naar Bogense zou gaan. Om het veldrijden verder te internationaliseren, heette het.

In Bogense kon de vlag uit, maar begon ook de stress. De grootste uitdaging zat ’m in de logistiek, vanwege de gebrekkige infrastructuur. Bogense ligt 20 kilometer verwijderd van de snelweg. Na kilometers heuvelland doemt het ineens op, aan de kust ten zuiden van het Kattegat. Er zijn twee hotels, een handvol restaurants. In de zomer heb je er zeilfestivals, maar in de winter ligt het stadje op apegapen.

Striemende zeewind

In november 2017 organiseerde Bogense een wereldbekerwedstrijd als testevent. Mathieu van der Poel en Sanne Cant, gegeseld door een striemende zeewind, ploegden zich het snelst door het zand en langs spectaculair opspattend water. Fotogeniek was het, maar het parcours behoefde aanpassingen. Door de modder moesten grote stukken lopend afgelegd worden. Dat zal dit jaar anders zijn: de ondergrond is bevroren.

Ginnerskov reisde geregeld naar veldrijmekka Vlaanderen om te zien wat er nodig is voor een succesvolle veldrit. Hij concludeerde: vlees, friet, bier en muziek. De uitslag van de wedstrijd zal de meeste supporters een zorg zijn. En dus zullen er frietkramen in Bogense staan, wordt er vlees gegrild, en zal er bier uit buitentaps komen.

Twee Belgische dj’s gaan de muziek verzorgen. Er staat zelfs een Manneken Pis-beeld op het pleintje aan de Kirkestræde, al sinds 1934. Een kopie van het beeld in Brussel. De mythe op een plaquette is het vertellen niet zo waard, maar de Belg zal zich thuis voelen. „Het wordt een once in a lifetime experience”, weet Henrik Djernis. „Waarschijnlijk komt zo’n groot evenement nooit meer naar Bogense.”

De Deense veldrijders hebben dat niet begrepen. Zij laten het massaal afweten: Deens kampioen veldrijden Sebastian Fini Carstensen verkiest een mountainbikewedstrijd in Zuid-Afrika, en ook de nationaal kampioene Caroline Bohé start niet in Bogense. Zelfs de lokale held Simon Andreassen kiest voor een race op zijn mountainbike. Het zegt alles over de staat van het Deense veldrijden.

Het maakt de lokale bevolking niet minder enthousiast. Veertig miljoen mensen wereldwijd zullen dit weekend kennismaken met Bogense. In hoofdstraat Adelgade maken winkeliers zich op voor een topweekend. Vivi Nielsen van breiwinkel Garnguf blijft speciaal op zondag open en verwacht veel meer omzet dan normaal.

In Røde Kro, een kroeg aan de Torvegade, zetten ze zich schrap voor duizenden bierdrinkende veldrijfans. „In Bogense leunen we op het zomertoerisme, dus zo’n extra weekend is mooi meegenomen”, zegt Martin Schultz (25) vanachter de bar. Jan en Susanne Møller hebben hun hele familie opgetrommeld om hun Lunds Hotel draaiende te houden.Susanne: „De bedoeling is dat al die mensen na dit weekend nog eens terugkomen naar Bogense.”