Maanden trainen zonder pijn, dat kan niet

42,195 km Schrijver Abdelkader Benali maakt zich op voor de marathon van Rotterdam. Hoe bereidt hij zich voor?

Illustratie Merel Corduwener

Na weken van onbezorgd hardlopen is er tegenslag. Mijn rechterknie doet pijn – het gevolg van een zwak rechterbeen. Door spierversterkende oefeningen te doen, probeerde ik het been sterker te maken. Ik haat spierversterkende oefeningen: ze zijn monotoon. Maar voor een marathon doe je alles. Het been werd een beetje sterker, maar niet veel.

Eerst negeerde ik de pijn: dat is soms de beste blessurebehandeling. Maar deze keer hielp het niet. En ook al liep mijn voorbereiding nog geen gevaar, toch maakte ik me zorgen over wat ik de komende periode moest doen om de marathon te halen.

Toen ik begon met trainen voor de marathon, vertelden oudgedienden me dat ik nog vaak mijn lichaam zou vervloeken. Ze kregen gelijk. Er bestaat niet zoiets als een vlekkeloze voorbereiding. Het is onmogelijk om maanden te trainen zonder een keer in de lappenmand te belanden. Het lichaam geeft vroeg of laat zijn grenzen aan. Pijn hoort bij trainen.

Dat gaat zo. Door gericht te trainen, laat je je lichaam wennen aan overbelasting. Maar een fit lichaam is ook een gevaarlijk lichaam. Wanneer ik lekker hard aan het trainen ben, wil ik nog harder trainen. En dan gaat het mis.

Bij mij was het vaak de hamstring, de spier die in je achterbeen van de zitknobbel naar de binnen en buitenzijde van de knie loopt. Wat heb ik met die hamstring veel te stellen gehad.

Ten einde raad ging ik naar een manueel therapeut, in mijn geval een man die naaldjes in je billen draait. Een student-in-opleiding uit Hongkong behandelde mij. Toen hij de naalden eruit had gedraaid, zei hij: „Misschien is de beste therapie gewoon wat rust.”

Pesthekel aan oefeningen

En dan is er nog het middenrif, het belangrijkste deel van het lichaam. De spieren van het onderlichaam en die van het bovenlichaam komen hier samen. Stabiliteitsoefeningen zorgen voor het evenwicht dat je nodig hebt om goed te blijven lopen – en je voorkomt er blessures mee.

Ook aan deze oefeningen heb ik een pesthekel. Gelukkig bood Amber, onze dochter, uitkomst. Ze weegt vijftien kilo en wil graag door mij gedragen worden. Dus draag ik haar. De afgelopen winter heb ik vele kilometers met haar in mijn armen rondgelopen, tot groot plezier van Amber.

Maar dat kan ik nu niet langer, met dat chocoladebeen van mij. Na een paar dagen rust, heb ik daarom besloten iets te gaan doen waar ik eigenlijk geen zin in heb: fitnessen in een sportschool.

Ik haat het: de drukte, de koude apparaten, de zweterige omgeving. Maar ik doe alles om dat rechterbeen weer in orde te krijgen.

Ik schrijf me in, en op zaterdagmiddag meld ik me bij de dichtstbijzijnde fitness. Het is er drukker dan in een disco. De instructrice geeft me een iPad waar ik mijn gegevens op invul. Ik teken voor akkoord, het abonnement loopt.

„Kan ik meteen aan de slag?”

Ze kijkt naar klok. „Sorry, we gaan over een half uur dicht. Komt u morgen maar terug.”