Recensie

Recensie Boeken

Tommy Wieringa’s moeder dacht alleen aan zichzelf

Tommy Wieringa In een boek over zijn egocentrische moeder dompelt Wieringa schrijnende toestanden onder in hoffelijke lyriek.

Foto uit besproken boek.
Foto uit besproken boek.

Zelfs zijn bloedeigen moeder was voor de jonge Michel Houellebecq niet heilig. Toen men hem vroeg of dat nare mens in zijn Elementaire deeltjes misschien geënt was op zijn eigen moeder, bevestigde hij dat. Lucie Ceccaldi, de vrouw die hem in 1956 ter wereld bracht, was niets anders dan ‘een oude slet van een moeder’ geweest. Daar was geen woord Frans bij.

Zó frontaal zet Tommy Wieringa de aanval niet in, in Dit is mijn moeder, maar bepaald vleiend is het portret ook weer niet. Wieringa zegt weliswaar van deze Lia Wiersema (1942-2015) te hebben gehouden, maar om eerlijk te zijn moet je dat maar even van hem aannemen. Als buitenstaander is het, op basis van deze tekst, nog een hele klus om sympathie voor haar op te vatten. De eigengereide vrouw mag dan ‘het zout der aarde’ zijn geweest, wat toch vooral uit de verf komt zijn haar egocentrisme, haar onredelijkheid en haar neiging om anderen als lakeien te beschouwen. Wieringa, galant formulerend wie immer, schrijft aan het einde van dit boek dat ‘beschaving onderdrukking is’. Met andere woorden: wie aan de kant van de beschaving staat, moet misschien wel niet alles eruit klappen. Zou het daar mee te maken hebben? Dat hij zich ondanks alle wrijvingen toch nog inhoudt? Of blijf je je moeder ondanks alles altijd zien met een gouden lijstje er omheen, hoe dun ook ?

Lees ook het interview van Jannetje Koelewijn met Tommy Wieringa: ‘Nu kon het. Het verhaal is af. De boom is geveld’

Hippie-generatie

Dit is niet het eerste boek waarin Wiersema figureert. Eerder maakte Wieringa al dankbaar van haar gebruik in romans; in verhulde vorm duikt ze op in onder meer Caesarion en De heilige Rita. In die laatste, bekroonde roman had je wel door dat er iets belangrijks behandeld werd op het moment dat de moederfiguur bij het gezin wegloopt voor een andere man. Je had door dat Wieringa er iets delicaats mee aanraakte, iets dat ook op een brozere toon werd verteld dan hoe hij normaal vertelt, namelijk gestaald, bruisend en naar buiten, omarmend. Ook in Dit is mijn moeder vinden we die lyrische, ritmische stijl terug. Uiteráárd zien we die terug, het is Wieringa’s vingerafdruk. En zo lees je dus over schrijnende toestanden, ondergedompeld in hoffelijke lyriek. Wanneer moeder zelfs bij het uitstrooien van de as van een familielid in de schijnwerpers wil staan, draagt ze ‘een ketting van halfedelstenen zo groot als duiveneieren’. En als moeders kat wordt begraven voltrekt zich dat in de buurt van het ‘somber klotsende Winschoterdiep’. Helemáál schrijnend wil het niet worden met zo’n zwierige ketting of zo’n fraai assonerend kanaal op je netvlies. En dat damt het effect wat in. Bovendien legt Wieringa de nadruk op de laatste tien, vijftien jaar van zijn moeders leven en bevat het delen waarin het slechts in de verte over de moeder gaat. Die delen zijn an sich vaak memorabel (een jonge Wieringa in de goot van Groningen), maar dragen niet bij aan de scherpte van het portret.

Is dit te streng? Wieringa kan het hebben, hij schrijft er te goed voor. De indruk die ik toch vooral aan Dit is mijn moeder overhield was dat het wel geschreven móest worden, want al in het voorwoord wijst Wieringa erop dat overleden naasten kunnen blijven spoken als je ze niet goed aflegt. Dit boek is dus misschien een bezweringsritueel, een teug lucht voordat de schrijver weer alleen de diepte in kan duiken om een nieuwe roman te schrijven. Dat ambitieuze, 600 pagina’s omvattende project wordt al tussen deze twee kaften aangekondigd. Het zal niet meer gaan over de hippie-generatie waarvan zijn moeder deel uitmaakte, maar over de opvolgers daarvan, de ‘mateloze consumenten van nu’. Die mensen hebben echter ‘de hippie-achtige aanspraken op eeuwige jeugd en de afkeer van de dood overgeërfd’. Voor mevrouw Wiersema ligt er wellicht een mooie bijrol in het verschiet.