Opinie

Poëzielakmoesproef

Ellen Deckwitz

‘Ja hoe werkt dit ding oh hoi Ellen nou ik sta in de boekhandel en wil gedichten kopen want het is Poëzieweek en dan krijg je er zo’n gratis boekje bij”, schalde oudoom Karel door de hoorn. Op de achtergrond hoorde ik mijn moeder, wier telefoon hij getuige de nummerweergave had gekaapt, diep zuchten.

„Maar nu blijkt er heel veel poëzie te zijn en ik heb geen idee wat ik moet halen.”

„Misschien een bloemlezing?” begon ik, maar werd meteen afgekapt, dat hij iets wilde dat echt bij hem paste, dat nou écht Karel was, en dat ik hem daarbij moest helpen want ik ben zzp’er en heb dus chronisch vakantie.

Ik hing op, maar ergens begreep ik zijn frustratie wel. Ik word regelmatig gebeld door vrienden die, na te zijn ontdooid door een aantal bloemlezingen, willen beginnen met het lezen van bundels. Eenmaal in de boekhandel zijn ze overdonderd door het aanbod.

„Ik dacht dat het slécht ging met de poëzie”, klaagde een vriendin, „maar er is zo veel dat ik niet eens weet waar ik moet beginnen.” Aan recensies hebben ze niet veel, want die zijn volgens hen ‘toch alleen maar voor en door kenners geschreven’. En veel flapteksten zijn zo nietszeggend dat je er geen acute aanschafdrift van krijgt (doorgaans staat er zoiets als ‘trefzeker taalspel’ of wat gefilosofeer over het aftasten van identiteit plus een hoera van een literair tijdschrift waar ze nog nooit van hebben gehoord).

Toen ik zelf begon met poëzie had ik ook geen idee wat ik moest kopen. Stond je daar met talloze guldens aan boekenbonnen voor een kast vol titels waar je nog nooit van had gehoord. In de loop der jaren ontwikkelde ik daarom mijn eigen lakmoespoëzieproef. Het begon met een tip van een bewonderd dichter, die me aanraadde om bij een nieuwe bundel meteen het eerste en laatste gedicht te lezen.

„Veel poëten openen namelijk met een zo sterk mogelijk vers (want daarmee wil je verleiden tot verder lezen!), en sluiten ook met iets indrukwekkends af, want je wil ze natuurlijk ook laten uitzien naar je volgende werk!” zei hij geslepen. Daaraan voegde ik nog een eigen selectiecriterium toe: wanneer het eerste en het laatste vers me bevielen sloeg ik het boekje ook nog halverwege open. Als het gedicht waar ik dan op stuitte me eveneens aansprak, was ik verkocht.

Dus belde ik oudoom Karel terug met het advies wat te gaan lakmoesproeven.

„Niet meer nodig”, zei hij, „ik heb een bundel gekocht waarvan de titel helemaal bij me past: Lekker dood in eigen land! Ha! Helemaal Karel!”

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.