‘Nederland is misschien wel het meest informele land ter wereld’

Piet Gerbrandy Is een dichter altijd een kind van zijn tijd? Dichter en essayist Gerbrandy zoekt liever naar universele waarden in poëzie. In zijn nieuwe essayboek bespeurt hij in het werk van zeer uiteenlopende dichters, van Faverey tot Bilderdijk, steeds dezelfde ziel.

De gemene deler van Grondwater is de blik in de ziel van de dichter. De essays in het nieuwe boek van dichter, vertaler en classicus Piet Gerbrandy (1958) gaan niettemin over uiteenlopende onderwerpen: van middeleeuwse lyriek tot de mythologische figuur Narcissus, van de brieven van Bilderdijk tot het leerdicht De methode van Dick Raaijmakers.

Hoewel een schrijver kind van zijn tijd is, is hij volgens Gerbrandy allereerst ‘een mens die geboren wordt, honger heeft, verliefd wordt, naar zin en betekenis zoekt en uiteindelijk zijn sterfelijkheid moet aanvaarden. Dat is waar ieder goed gedicht over gaat, zelfs al beweert het iets anders.’

Met deze blik kijkt Gerbrandy bijvoorbeeld naar het werk van de Friese dichter Tsjêbbe Hettinga. Die staat bekend als de dichter van het bezielde landschap waarin je je thuis kunt voelen en de illusie kunt koesteren dat deze wereld vertrouwd is. Dat is maar een oppervlakkige lezing, vindt Gerbrandy. Op basis van vijf gedichten komt hij tot andere conclusies: in Hettinga’s oeuvre ziet hij de onmogelijkheid van eenwording toenemen en explicieter aan bod komen. De spanning tussen eenzaamheid en nabijheid, ontheemding en geborgenheid splijt zijn werk, maar vormt ook de kracht van zijn poëzie.

Gerbrandy is dus op zoek naar de existentiële aspecten van literatuur. Die vormen de kern, ongeacht of een schrijver tweeduizend jaar geleden leefde of vandaag nog gestaag aan zijn oeuvre werkt. De reikwijdte van zijn interesse en expertise – hij is thuis in vele Europese literaire tradities en culturen – laat zien dat de vragen over het bestaan van alle tijden zijn. Hij geeft er wel direct bij aan dat het zoeken naar de ziel van de dichter een illusie is.

Waarom is dat een illusie?

„Mensen zitten zo in elkaar dat we ons kunnen voorstellen wat er in de ander omgaat. Maar hoe meer je uit verschillende werelden komt, hoe moeilijker dat wordt, helemaal als een schrijver eeuwen geleden leefde. Toch ga ik in gesprek met zo’n auteur, al is er sprake van eenrichtingsverkeer. Je kunt je natuurlijk vergissen, vandaar dat ik een voorstel doe: ik lees dit gedicht zo en zo. Daarmee nodig ik anderen uit in mijn lezing mee te gaan, terwijl ze ook aangezet kunnen worden om andere beweringen te doen.”

Wat levert zo’n kijkje in de dichtersziel op? Bijvoorbeeld in het geval van Hans Faverey aan wie je een substantieel deel van ‘Grondwater’ wijdt?

„Ik kijk naar terugkerende patronen in zijn poëzie die misschien iets zeggen over zijn kijk op de werkelijkheid. Een heel universele kijk, beweer ik dan. Alleen formuleert hij dat op een eigenzinnige manier, terwijl er toch algemene denkpatronen in herkenbaar zijn, net als in veel andere wereldliteratuur. Faverey begint vaak vanuit een vaste positie en probeert een andere plek te bereiken, met daartussenin een zoektocht vol onzekerheden. Er is een opbouw in deze gedichten die aan het einde weer moet verdwijnen, zoals het leven. Een rite de passage noem ik dat.”

De kern van Favereys poëzie vinden we in zijn appèl aan de existentiële ervaring, schrijft Gerbrandy: ‘Faverey lezen is in samengebalde vorm een levensloop doormaken.’ Vandaar dat het begrip rite de passage, volgens hem terug te vinden in alle culturen, zo’n belangrijke rol in zijn analyse speelt. Een gedaanteverwisseling, zoals bij vlinders en andere insecten: eerst ‘neemt de persoon om wie het gaat afscheid van de status die hij tot dan toe had, vervolgens verkeert hij enige tijd op de drempel [...], ten slotte neemt hij zijn nieuwe rol op zich.’ Mensen – en bij uitstek schrijvers – geven betekenis en zin aan hun leven door ‘stil te staan bij problematische overgangen van de ene fase naar de andere’.

Dat houdt ook Gerbrandy bezig: „Het heeft te maken met hoe ik met mijn sterfelijkheid omga. Ik vraag me soms af: wat heb ik gedaan en wat blijft er over? Ons bestaan is volstrekt willekeurig. We moeten zelf zin geven aan wat we doen en daarvoor zijn we goed uitgerust. Ik wil altijd dieper, proberen om wat er om me heen gebeurt steeds beter te begrijpen. Vandaar dat ik in Grondwater met mezelf begin en eindig.”

In zijn essay over Faverey schrijft hij: ‘Mogelijk heb ik in het bovenstaande mijn eigen verlangens, obsessies en demonen op het werk van Faverey geprojecteerd. Ik kan niet anders, ik ken geen andere manier van lezen, ik geloof dat iedere lezer dat doet.’

Het begrip ‘rite de passage’ komt uit de antropologie. Hoe lees je een gedicht als antropoloog?

„Ik wil luisteren naar de verhalen die mensen elkaar vertellen. Door antropologisch te kijken ontdek ik patronen die ik in alle literatuur van Gilgamesj tot nu zie terugkeren. Er is niets nieuws aan. Waar ik echter naar op zoek ben, is wat iemand ertoe brengt te gaan schrijven.”

Dat is toch voor iedere schrijver anders?

„Neem Faverey en de middeleeuwse Andreas Capellanus, schrijver van het meerstemmige Liefde. Beiden zijn bezig met het vraagstuk hoe het is om als mens tegenover andere mensen te staan.”

Maar Faverey had niet zo kunnen schrijven in 1180.

„Het zou je verbazen hoe geconstrueerd, creatief en experimenteel de Latijnse lyriek uit die tijd is.”

De antropologische blik impliceert ook dat je geen fundamenteel onderscheid tussen verschillende periodes uit de cultuurgeschiedenis aanvaardt.

„Waarom zouden dingen die bij Kafka onderzocht worden niet bij Aristoteles opduiken? Bepaalde menselijke problemen zijn van alle tijden en op alle plekken hetzelfde, hoewel anders uitgewerkt. Iedereen moet door dit leven zien heen te komen. In grote lijnen reageren mensen daar nogal stereotiep op.”

“Tweederangs auteurs zijn inwisselbaar, maar ik kijk liever naar schrijvers die een eigen weg kiezen.”

Toch bestaan er verschillen in hoe mensen omgaan met hun sterfelijkheid en zoektocht naar betekenis. Die zijn sociaal en cultureel bepaald. Je zou een cultuurhistorische aanvulling verwachten op de antropologische benadering van Gerbrandy, onder meer om alle verwijzingen in deze poëzie en de tradities te duiden waarop zij aanspraak maakt of waarmee zij breekt. „Cultuurgeschiedenis is interessant om verschillen uit te lichten, maar die menselijke kern blijft altijd hetzelfde.”

Hij noemt ritme. „Dat is zo fundamenteel in alle wereldliteratuur. Hoe komt dat? We leven ritmische levens, in een ritmische kosmos. Ook onze cognitieve vermogens, zoals het geheugen, zijn ritmisch ingesteld. Niemand is er ongevoelig voor, kijk naar kinderen zonder taalbesef.”

De menselijke kern dus.

„Omgang met anderen, conflict en oplossing, daarover gaat literatuur. Daarin verschilt Gilgamesj niet vanPhilip Roth. Door je net wat groter uit te werpen, door Sappho én Lucebert, Homerus én Faverey te kennen, en van alles tussen hen in, zie je overeenkomsten die iemand die alleen neerlandicus of classicus is, niet ziet.”

Worden Faverey en Capellanus zo niet inwisselbaar?

„Nee, want ze spelen een ander spel. Faverey maakt het probleem alleen maar groter, terwijl Capellanus een grap maakt die net zo effectief is. Tweederangs auteurs zijn inwisselbaar, maar ik kijk liever naar schrijvers die een eigen weg kiezen. Soms zijn dat obscure namen.”

Hoe kom je zo’n auteur tegen?

„Capellanus kwam ik tegen ter voorbereiding op een collegereeks over middeleeuwse lyriek. Om zo’n tekst het beste te leren kennen moet je die vertalen.”

Hier komt de leraar om de hoek kijken.

„Ik ben een gretige lezer, een van de weinige dingen waarvan ik denk dat ik er echt goed in ben. Ik ben iedere week weer enthousiast door wat ik tegenkom. Die gulzigheid wil ik graag delen.”

Lees ook: 80 boeken om deze winter cadeau te geven

Een lezer wil niet per se iets delen.

„Ik voel dat heel sterk, daar is dit boek uit voortgekomen. Ik ben een eclecticist: ik zuig alles op wat ik links en rechts lees. Mijn taak als essayist en criticus is nederig en dienend. Ik lees dingen en denk: zou dit ook wat voor jullie zijn?”

Vandaar Grondwater. „Door dingen bij elkaar te zetten hoop je dat ze elkaar versterken en dat het boek mensen bereikt die het anders niet bereikt zou hebben.” Een marginale positie, weet Gerbrandy ook, net als wanneer hij voor studenten staat. „Hun heb ik wel wat te bieden. Ook dat is marginaal, maar net als op middelbare scholen kun je een handvol studenten inspireren. Daar denken ze vast nog wel eens aan terug.”

Het literatuuronderwijs wordt uitgehold.

„Er is zeker nog honger naar kennis, maar de school zegt: we passen ons aan de belevingswereld van het kind aan. Maar dan blijven we toch allemaal kinderen?”

Later: „Nederland is misschien wel het meest informele land ter wereld. We willen het vooral gezellig houden, we luisteren naar wat kinderen willen. Dat is niet altijd het beste voor ze. We hebben een overlegcultuur, terwijl we meer waardering voor gezag zouden kunnen hebben: leermeesters weten iets wat jij nog niet weet.”

Zo komen we over de toekomst te spreken. Vorig jaar zwom Gerbrandy van half april tot half oktober buiten in de plas. In een essay schrijft hij erover: ‘En misschien wil ik schrijven zoals ik zwem, kalm, eenzaam, naakt en trefzeker, weerstand overwinnend maar gedragen door een oergrond, op de grens tussen hier en daar’.

Inmiddels heeft het zwemmen een verontrustende bijsmaak gekregen: „Meestal kan ik niet zo lang buiten zwemmen – zo ben ik me gaan realiseren hoe mis het is met het klimaat. ’s Zomers zit je aan tafel zonder motten of muggen, in juni zie je geen vlinders.” Het onderwerp is voor een volgend boek. „Ik denk meteen aan Vergilius’ Georgica, een onovertroffen subtiel werk over landbouw en ecologie en de plek van de mens binnen de natuur. Ik zie zo een college voor me.”

    • Obe Alkema