Marianne Vos, hier in Hoogerheide, een week geleden: „Als je altijd wint wordt zelfs dat routine.”

Foto Getty Images/Luc Claessen

‘Ik ben altijd bang dat ik te lui ben’

Marianne Vos veldrijdster

Na drie jaar kwakkelen hoort Marianne Vos weer bij de besten. Zaterdag hoopt ze haar achtste wereldtitel veldrijden te winnen.

Een jaar geleden had ze in de weken voorafgaand aan het WK veldrijden weinig te vertellen. Het liep gewoon niet, en dat was dat. Interviewverzoeken sloeg ze af omdat ze het gevoel had zich voortdurend te moeten verdedigen voor haar matige presteren. Media zinspeelden steeds vaker op een aanstaand afscheid, logisch ook, want het doet pijn aan de ogen om een zevenvoudig wereldkampioene veldrijden voor thuispubliek in Valkenburg op een straatlengte als achttiende over de finish te zien komen en dan met de bagger nog in haar gezicht schouderophalend uit te zien leggen dat er simpelweg niet meer in zat.

Ze was overtraind geweest, ziek geworden. Kon met elkaar te maken hebben, hoefde niet. Wist zij veel. Al met al was het steeds „een kwakkelend verhaaltje” waar ze schoon genoeg van had. Heel af en toe spookte stoppen met fietsen wel door haar hoofd, maar dan als laatste redmiddel, voor als ze écht geen perspectief meer zou zien. Dan was ze voortaan „gewoon toertochten” gaan rijden, want helemaal zonder fiets kan ze ook niet.

Maar die luchtspiegeling vervloog, het bleef bij een fatalistische fantasie. Ergens in het voorbije jaar hervond Marianne Vos (31) de aansluiting met zichzelf. Eindelijk, na drie jaar van vallen en opstaan, jaren waarin ze nog wel gewoon minimaal tien wedstrijden op de weg wist te winnen, en zilver op het WK veldrijden van 2017. Tikje cynisch: „Maar dat zijn veel mensen alweer vergeten”, zegt ze.

Ze neemt plaats achter de computer van haar manager, in het hoofdkwartier van de CCC-Liv-ploeg in ’s Gravenmoer, voor een Skype-gesprek. Met een grote koptelefoon op haar hoofd tuurt ze naar het scherm om contact te maken. Een brede glimlach. Ze oogt ontspannen, drie dagen voor haar vijftiende WK veldrijden. Ze hoort weer bij de besten van de wereld, vliegt als winnares van de wereldbeker (voor het eerst in haar carrière) als een van de titelfavorieten naar Denemarken. En dat voelt zó goed, omdat ze nu weet wat tegenslag is.

Sporters-burn-out

Van Marianne Vos is algemeen bekend dat ze liever te veel doet dan te weinig. Trainen, opkomen voor de belangen van vrouwelijke collega’s, dagvoorzitterschapje hier, interviewtje daar. Ze kan geen nee zeggen, zei ze in 2016 in gesprek met NRC, toen nog diep in haar sporters-burn-out. En alles wat ze doet, moet ook goed. Dat ging jarenlang prima, tot ook zij tegen haar grenzen aanliep, en daar tot in het vuurrode overheen ging. De vraag was: had ze iets onherstelbaar kapotgemaakt?

Afgelopen herfst kwam ze na lang nadenken tot de conclusie dat ze het niet alleen kon. Wilde ze fysiek terug naar wie ze ooit was, dat in elk geval proberen, dan had ze hulp nodig van iemand die haar kon vertellen wat ze wel, maar nog belangrijker, wat ze niet moest doen. Een trainer, zo simpel kan het soms zijn. Ze ging – uiteraard zelf – op zoek. Op internet, wat rondbellen. Van Annemiek van Vleuten hoorde ze dat Louis Delahaije – ook haar coach – had laten vallen dat hij Marianne Vos best eens zou willen trainen. Kwam bij dat hij stopte bij Lotto-Jumbo, dat hij dus tijd had. De deal was na één gesprek beklonken, toen „ik al mijn kaarten op tafel had gelegd, al mijn twijfels deelde”.

Ze werken nu een maand of vier samen en de resultaten mogen er zijn: Vos won dit jaar vier wereldbekerwedstrijden, en liet er bewust ook eentje lopen, waarna ze bij haar rentree in Koksijde twaalfde werd. Geen paniek, is tegenwoordig het devies. „Voorheen ging ik méér doen als het minder ging, begon ik te twijfelen aan mijn eigen aanpak. Nu bel ik met de trainer, die dan zegt: ‘je hebt dit en dit gedaan, logisch dat het even wat minder gaat’. En dan denk ik: Marianne, misschien wordt het tijd dat je zelf ook eens leert om logisch na te denken.”

Ze vertelt dat ze het vermogen mist om met compassie en relativerend naar zichzelf te kijken. „Een ander adviseren is niet zo moeilijk, maar gaat het om mij, dan ben ik altijd bang dat ik te lui ben. Er moet altijd een schepje bovenop.”

Vandaar dat het zo belangrijk voor haar was om met iemand samen te gaan werken – ze ziet het als de volgende stap in haar toch al imposante carrière. Ze kan nu de zorg om zichzelf uit handen geven, aan iemand overlaten „met een helikopterview”. In het verleden probeerde ze dat wel, maar werkte het nooit écht, vooral toen ze zo kwakkelde, en dan liever solitair aan haar terugkeer werkte. Toen ze haar niveau „genormaliseerd” had en „terug was op een nulpunt” vond ze iemand „met bagage en kennis” die zich tegelijkertijd ook „fietsgeluk kan invoelen” – kortom, een trainer die ze durfde te vertrouwen. En die niet bang is om over bepaalde keuzes in een trainingsschema flink te bakkeleien, „te sparren” in haar woorden. Marianne Vos wil wel weten van het hoe en waarom.

Relativeren en genieten

Ze zegt zich „fris en sterk” te voelen, en ze herstelt goed, dat is een belangrijke graadmeter geworden. Van dat gevoel moet ze zich bewust zien te blijven. Aan haar overtraindheid heeft ze overgehouden dat ze soms twijfelt of ze wel zo diep moet gaan, zo kapot moet zitten na een training. Ook daar is Louis Delahaije nu voor. Tegelijkertijd geeft ze aan beter te kunnen relativeren, en ook te genieten. Zal ook met de leeftijd te maken hebben. Ze weet dat het allemaal niet vanzelfsprekend is wat ze doet. „In mijn beginjaren leek het allemaal zo makkelijk te gaan dat ik meer opgelucht dan euforisch was bij weer een overwinning. Als je altijd wint wordt zelfs dat routine.”

Die tijden zijn voorbij. De tegenstand is zaterdag moordend. Voor de regenboogtrui zijn wel vijf vrouwen favoriet: Vos dus, de Belgische Sanne Cant, de revelatie van het seizoen Denise Betsema, vrouw in vorm Lucinda Brand, en ook de Amerikaanse Katie Compton kan winnen. Voor Vos geldt: „Het wordt een strijd op het scherpst van de snede. Hoe moeilijker, hoe mooier.”

Ze is gespannen, dat verandert niet. Zoals altijd zal vader Henk er staan in de materiaalpost, met wielen en reservefietsen. Moeder Connie gaat mee als verzorger, en broer Anton als fotograaf. Het hele spul in de camper van Babyloniënbroek naar Bogense, op het Deense eiland Fyn. Speciaal voor haar. „Ik ben de rode draad door het gezin”, zegt ze. „Ze cijferen zich weg voor mij. Soms ben ik weleens bang dat ik mijn dankbaarheid niet genoeg toon. Nu ik ouder word zie ik dat, en benoem ik het ook. Ook zij zijn een reden om niet te stoppen met fietsen.”