Recensie

Recensie

Achter de maskers

    • Dominique van Varsseveld

Wat doet koloniale onderdrukking met de zwarte psyche? Frantz Fanon was een van de eerste psychiaters die dit onderzocht, en aan de kaak stelde, in zijn onlangs vertaalde boek Zwarte huid, witte maskers. De ‘blanke blik’, stelde Fanon, betwistte zijn bestaansrecht.

Fanon (1925) werd geboren op Martinique, onderdeel van de Franse Antillen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog vochten veel Martinikanen aan de zijde van de geallieerden. Zo ook de jongvolwassen Fanon, die zich in 1943 aansloot bij het leger, en eerst gestationeerd was in Marokko en Algerije, later in Frankrijk. Binnen het leger werd hij gediscrimineerd door zowel witte, Franse als Noord-Afrikaanse soldaten. Toen de nazi’s waren verslagen en de persfotografen met het leger optrokken, werd Fanon samen met andere zwarte soldaten geweerd uit de foto’s.

Na de oorlog studeert Fanon medicijnen en filosofie in Lyon. Hij specialiseert zich in de psychiatrie, en wat begon als een dissertatie mondt uit tot Zwarte huid, witte maskers. Hij schrijft daarin: ‘De zwarte mag zich niet langer geplaatst zien voor het dilemma: wit worden of verdwijnen. In plaats daarvan moet hij zich bewust kunnen worden van een mogelijkheid tot het bestaan.’ Een bestaan dat zich moet bevrijden van een minderwaardigheidscomplex. Fanon merkt op dat vooral hogeropgeleiden een gedaanteverwisseling ondergaan, qua taal en gedragingen, en er zo naar streven geaccepteerd te worden.

Hoewel Fanon uitgaat van het zwarte bewustzijn, zoekt hij, juist in de naoorlogse jaren, naar universele waarden. Dat die er zijn, daarvan is hij overtuigd. Toch lijkt Europa te pretenderen het alleenrecht te hebben op het predicaat van beschaving, en hij vraagt zich sceptisch af of er soms een ‘brevet van menselijkheid’ nodig is om als volwaardig mee te tellen in de wereldgeschiedenis.

In zijn boek gaat Fanon het gesprek aan met academici die hem voorgingen in het dekoloniale denken, zoals Alioune Diop en zijn leermeester Aimé Césaire. Sartre en Hegel passeren ook de revue. Zijn uitgebreide verwijzingen naar die auteurs komt de leesbaarheid van het boek niet ten goede. Ook zijn openlijke seksime maakt zijn boek een onmiskenbaar product van de jaren vijftig. Vrouwen van kleur worden door Fanon neergezet als gehaaide verleidsters wier ambitie het is om witte mannen aan de haak te slaan. Over homoseksuele gevoelens is Fanon evenmin te spreken.

Maar in de manier waarop hij verwoordt hoe machtsstructuren worden verinnerlijkt was Fanon zijn tijd ver vooruit. Hoewel hij in zijn inleiding zegt de rancune van zijn gekleurde broeders te riskeren, leveren zijn boeken juist een fundamentele bijdrage aan het dekoloniale gedachtegoed.