James Ingram (66): liedjesschrijver en man van het duet

Overleden R&B- en soulzanger James Ingram (1952 – 2019) overleed aan kanker. Bekend werd hij dankzij duetten met Quincy Jones, Dolly Parton en Patti Austin.

James Ingram in maart 2008 bij een jazz festival in Jakarta.
James Ingram in maart 2008 bij een jazz festival in Jakarta. Foto REUTERS

„Ik zag mezelf niet echt als een zanger”, zei James Ingram (66) in 2010 in de Christelijke talkshow Praise. De R&B en soulzanger overleed dinsdag in Los Angeles na jarenlang aan kanker geleden te hebben. Dat Ingram zichzelf niet als zanger omschreef, was deels valse bescheidenheid, maar er zat een kern van waarheid in. Ingram moest het, ondanks zijn mooie, soms mierzoet-gevooisde stem, niet hebben van zijn eigen solocarrière, maar was vooral liedjesschrijver en producent – al scoorde hij ook flink met verschillende duetten.

De in 1952 in Ohio geboren zanger begon in de band Revelation Funk, waar hij de rol van achtergrondzanger vervulde, „en als achtergrondzanger weet je dus dat er iemand beter is dan jij”, zo legde hij in Praise uit. De band probeerde het vergeefs in Los Angeles te maken, maar Ingram bleef er wel hangen. Hij ging werken met Ray Charles, Anita Baker en Quincy Jones met wie hij Michael Jacksons hit ‘P.Y.T. (Pretty Young Thing)’ schreef, een van de vrolijkste liedjes van het album Thriller (1983).

De prijzen kwamen toch vooral in samenwerking met anderen. Een Grammy Award voor Best R&B Vocal Performance kreeg hij voor zijn zang op het album The Dude (1981) van Quincy Jones en een tweede Grammy kon hij in ontvangst nemen voor zijn duet met Michael McDonald: ‘Yah Mo B There’ (1983) – de grootste hit die hij in Nederland had. Zijn eerste grote hit had hij 1982 met ‘Baby, Come To Me’, dat hij samen met Patti Austin zong.

Als solo-artiest zou hij nooit zo succesvol worden, al scoorde hij in 1989 met ‘I don’t have the Heart’ nog wel een nummer-1-hit.

Midden jaren negentig hield hij zijn solocarrière zo’n beetje voor gezien. Hij legde zich meer toe op soundtracks, en dat deed hij met succes. Een Oscarnominatie kreeg hij voor ‘The Day I Fall in Love’. Dit lied, dat hij samen met Dolly Parton zong, hoorde bij een film over een familie met grote hond, Beethoven’s 2nd.

Ook de soundtrack van de animatiefilm An American Tail was een succes: ‘Somewhere Out There’ was een duet met Linda Ronstadt.

Nadat het een tijdje stil was gebleven kwam hij in 2008 terug – niet met popmuziek, maar met een gospelalbum: Stand (in the Light). Zijn oude vriend Quincy Jones was de producer maar het succes kwam niet in de buurt van hun eerdere samenwerkingsverbanden. Het zou zijn laatste album blijven.