Des duivels woordenboek

Ewoud Sanders

Woordhoek

Krankzinnig, bn. De overtuiging toegedaan dat anderen krankzinnig zijn.” „Openbaring, zn. Er op latere leeftijd achter komen dat je een idioot bent.” „Wraak, zn. De liefdesbrieven van je meisje naar je rivaal sturen als hij met haar getrouwd is.”

Een paar voorbeelden van lemma’s uit The Devil’s Dictionary van Ambrose Bierce, sinds vorige week verkrijgbaar in de vertaling van Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes als Des duivels woordenboek. Het gaat om de eerste volledige Nederlandse vertaling, door een duo dat eerder naam maakte met succesvolle vertalingen van onvertaalbaar geachte werken van onder meer James Joyce en Beatles-klassiekers. Zij schreven ook het nawoord, waarin onder meer de drukgeschiedenis van dit humoristische woordenboek wordt uiteengezet.

Het woordenboek van Bierce wordt door sommigen gerekend tot de honderd grootste meesterwerken van de Amerikaanse literatuur. Het kwam met horten en stoten tot stand. Tussen 1867 en 1904 publiceerde Bierce reeksen satirische definities in verschillende Californische kranten en tijdschriften, soms met lange tussenpozen en onder verschillende titels: The Demon’s Dictionary, The Cynic’s Dictionary en The Devil’s Dictionary. De eerste boekuitgave verscheen in 1904, de bekendste in 1911. Sindsdien zijn er allerlei Engelstalige edities verschenen: ingekort, uitgebreid en volledig.

De Nederlandse vertalingen volgen dezelfde lijn: van het Satans woordenboek uit 1962 (58 blz.), via het Satans groot woordenboek uit 1969 (144 blz., heruitgegeven in 2002) naar de huidige uitgave van 488 pagina’s met 1.851 lemma’s.

In zijn woordenboek geeft Bierce af op humor. Gevatheid definieert hij als „het zout waarmee de Amerikaanse humorist zijn intellectuele kookkunst bederft door het weg te laten”. Ook over woordenboeken zelf had hij uitgesproken opvattingen. Volgens Bierce was een lexicograaf (woordenboekmaker) „een vervelende kerel die, onder het voorwendsel een bepaald stadium in de ontwikkeling van een taal vast te leggen, doet wat hij kan om haar in de groei te belemmeren, haar flexibiliteit te verstarren en haar methodes te mechaniseren”.

Mijn indruk is dat Bierce hier serieuzer is dan elders. Hij signaleerde dat oordelen van lexicografen fnuikend kunnen zijn – bijvoorbeeld als zij een woord bestempelen als obsoleet (verouderd). „Stel”, schreef Bierce, „dat het woordenboek (bijvoorbeeld) een prima, maar in onbruik geraakt woord als ‘obsoleet’ aanmerkt, dan zullen nog maar weinig mensen het nadien nog durven te gebruiken, al komt het ze nog zo goed van pas en al is het nog zo wenselijk dat het woord weer in gebruik raakt – waardoor het proces van verarming versneld wordt en de taal in verval raakt.”

Om dit soort redenen noemde Bierce een woordenboek „een kwaadwillend literair middel om de groei van een taal te stremmen en deze hard en onelastisch te maken”. Voor zijn eigen woordenboek maakte hij, vanzelfsprekend, een uitzondering. Dat vond hij „een zeer nuttig werkje”.

Terecht, denk ik. Daarom is het mooi dat het nu voor het eerst compleet in het Nederlands beschikbaar is, in een gevatte en opvallend elastische vertaling. Nog twee voorbeelden. „Bidden, onov. ww. Vragen dat de wetten van het universum worden opgeheven ten behoeve van één enkele verzoeker die toegeeft niet te deugen.” „Pantheïsme zn. De leer dat alles God is, in tegenstelling tot de leer dat God alles is.”

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders