Opinie

Bonnard die net met Marthe vree

Joyce Roodnat Joyce Roodnat heeft mazzel: als ze voor iets anders in Londen is, stuit ze op een nieuwe tentoonstelling in Tate Modern rond Pierre Bonnard. En ze houdt van Bonnard.

Joyce Roodnat

Houden van Pierre Bonnard is makkelijk. In zijn schilderijen schijnt de zon, op de velden en door de gordijnen. Ik was in Londen voor iets anders, maar het leven lachte me toe met de eerste dag van een uitvoerige Bonnard-expositie in museum Tate Modern.

Bonnard is een impressionist, maar ook weer niet. Terwijl hij doet of hij zijn indrukken volgt, schildert hij niet wat hem aanwaait, maar wat er in hem woelt. Tafels en teckels en blauwe bomen. De blakende middaghitte. Een impliciete vrouw met een expliciete lepel in haar hand. Een baadster in een teil. Nog een baadster in nog een teil. En nóg eentje.

Tate opent met het doek L’homme et la femme, uit 1900. Een stomend dubbelportret van Bonnard en zijn geliefde Marthe de Méligny – die naam verzon ze voor zichzelf, haar verleden schrapte ze weg, ze wilde niet meer weten wie ze was. Nu zit ze op bed en hij staat ernaast. Ze zijn naakt, ze zijn loom. Er is licht, er is kleur, het is warm. Twee jonge katten willen spelen, verder gebeurt er niks en bestaat er niemand anders dan zij, de mooiste, en dan hij, Pierre Bonnard, de man die net nog met haar vree.

Halverwege de tentoonstelling, 25 jaar verder, meen ik Bonnard ook te zien, in het gezicht dat is gespiegeld in een ruitje in de keukendeur, op het schilderij La salle à manger. Pierre kijkt en schildert Marthe. Ze is geen meisje meer, ze is een vrouw in een jurk die de hond voert, zijn snuit komt net boven de tafelrand uit. 1925 is het jaar van dit schilderij. Het is ook het jaar dat Bonnards minnares Renée Monchaty zich van het leven beroofde. In 1925 trouwde hij. Niet met Renée, die hij ten huwelijk had gevraagd. Maar met Marthe, zijn vaste vlam. Renée schoot zich door het hoofd, Marthe voert de hond, Pierre schrikt van zijn schim in de deur.

In de laatste zaal zie ik hoe Bonnard in de spiegel kijkt en een schriel hoopje ellende in aardekleuren ziet (‘Le boxeur’, 1931). En Marthe? Die ligt in het bad, schilderij na schilderij – naakt en onbereikbaar. Dit is niet de Marthe in de keuken, maar de Marthe in zijn hoofd. De Marthe van die viriele man van L’homme et la femme. De Marthe die hij, ook in 1931, schildert op de rand van het bad. Ze klom er net uit en belandde in een wereld die om haar heen bezig is te verdampen tot een onheilspellend niks.

Ik weet het: er zijn alleen de schilderijen, meer hebben we niet. Maar schilderijen zijn ook informanten. En ik ben een verstaander, ik kan er niets aan doen. Ik zie wat er te zien is, ik voel wat er te voelen valt. En ik denk: wat is er gebeurd?