Opinie

Aandoening

Ellen Deckwitz

Dit weekend zat mijn neefje (13) naast me op de bank ook gewoon maar wat te smartphonen tot hij opeens stilviel. Hij was een filmpje tegengekomen van de Hersenstichting waarin een jonge vrouw vertelt over haar depressie. Hij is zelf al jaren depressief en schaamt zich daar, alle gesprekken met een geweldige psycholoog ten spijt, af en toe enorm voor. De donkerte, het afwijken, de gevoeligheid. Hij herkende zich in het filmpje, tot zijn lotgenote de aandoening een hersenziekte noemde.

„Ik ben dus een zieke”, mompelde hij sipjes. Ik sloeg mijn arm om hem heen. Het is begrijpelijk dat depressie door sommigen als ziekte wordt aangeduid, al was het maar omdat dat uitgangspunt in zekere zin een geruststelling vormt. Een ziekte overkomt je immers. Het is niet je schuld, een gedachte die mij, tijdens mijn eerste depressies, enorm heeft geholpen.

Maar met de loop der jaren begon ik in te zien dat het niet alleen neurochemische pech is. Depressies worden door externe variabelen ontketend of verergerd. Dat maakt het dus ook een maatschappelijke aandoening, en niet alleen omdat de gevolgen van deze kwaal de samenleving jaarlijks miljarden kost. We leven in een systeem waarin van ons wordt verwacht in constante rivaliteit met zowel anderen als onszelf te verkeren. We worden gepusht om voortdurend een slankere, gezondere, slimmere, gelukkigere en beter betaalde versie te worden. Die verwachting boven de rest uit te stijgen, zorgt voor talloze teleurgestelden, want waar één iemand wint, is de rest verliezer, wat zij verder ook in hun mars hebben.

Ik zie het op de scholen waar ik lesgeef. Waar een enkeling dankzij wat gezonde competitie zichzelf uiteindelijk ontstijgt, raakt de rest gefrustreerd en verdrietig wanneer ze niet tot de top behoren. Ik ken leerlingen die thuis op hun kop krijgen als ze niet de beste van hun klas zijn. Als zij dan ook nog eens aanleg voor somberte hebben, zijn de rapen gaar. De wedijvercultuur maakt meer verliezers dan winnaars.

Na een emmer poffertjes ging het gelukkig iets beter met mijn neefje.

„Ik ben niet ziek, ik heb soms gewoon dakpan-panne”, zei hij. Dat klonk al een stuk beter. We kunnen weinig doen aan de eigenschappen die van het begin al in ons hoofd sluimeren. We kunnen wél proberen ons minder aan te trekken van een systeem waarin velen wordt aangeleerd om de eigenwaarde af te laten hangen van concurrentie met de medemens. Ik knuffelde mijn neefje, kuste zijn fantastische hoofd met daarin die fantastische hersenen, en hoopte dat hij die ooit zou waarderen zonder ze daarvoor met anderen te hoeven vergelijken.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.