Merlijn Doomernik

‘Niet schrikken mama’, zei je. Dus ik schrok enorm

Dubbelinterview Marita en Alma Mathijsen Alma Mathijsen groeide na het overlijden van haar vader op met haar moeder Marita. „Jij zou nooit iemand kwetsen, dat deed je vader wel.”

De vader van Alma Mathijsen (34), de violist Hub Mathijsen, rookte tweeënhalf pakje sigaretten per dag en dronk jenever als water. Hij stierf toen ze negen was. In haar roman De grote goede dingen vraagt ze zich af waarom hij een kind wilde. Kon ze hem kwalijk nemen dat ze geboren was?

De moeder van Alma Mathijsen, Marita Mathijsen (74), is emeritus hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de UvA, gespecialiseerd in de negentiende eeuw. Haar biografie van Jacob van Lennep vorig jaar, Een bezielde schavuit, was haar zoveelste succes.

Alma schenkt koffie in. Marita strekt haar benen op de bank, ze heeft net een nieuwe knie. Hondje Mimi vlijt zich op haar schoot. We zijn in het huis van Marita, een herenhuis in Amsterdam-Zuid. Ze heeft het gekocht toen het nog betaalbaar was. Alma is er opgegroeid. Zij woont nu, alleen, op een etage in Oost.

Marita, waarom viel je voor Hub?

„Dat is een vraag die me nog nooit gesteld is, ook niet door Alma. Moet ik over nadenken. We leerden elkaar kennen in een café.”

Alma: „Scheltema, toch?”

Marita: „D’Oude Herbergh, ik denk in 1967. We werden aan elkaar voorgesteld door een vriend van hem. Wat ik meteen aardig aan hem vond: zijn eruditie. Snel van geest, scherp van taal. We kwamen beiden uit Limburg, hij uit Weert, ik uit Belfeld. Je zou hem een hippie kunnen noemen, zoals hij toen was.”

Alma: „Hij droeg wel een pak.”

Marita: „En hij was geen wietroker. Van mijn kant was het niet meteen verliefdheid, maar hij was ervan overtuigd dat hij mij moest hebben. Mijn bandrecorder was stuk en hij bood aan om die te repareren. Daarna bleef hij me bezoeken. Hij was voorkomend en bezorgd en hij nam cadeautjes voor me mee. Leuke cadeautjes; platen, bloemen.”

Alma: „Wat voor bloemen?”

Marita: „Mooie bloemen, nooit dezelfde. Mijn vriend nu neemt altijd rozen mee.” Ze wijst naar de vaas bij de schoorsteenmantel. Roze rozen op lange stelen.

Alma: „Jij was geen hippie.”

Marita: „Ik bleef aan de rand. Ik was toeschouwer.”

Alma: „En papa was te donker vanbinnen om een echte hippie te zijn.”

Marita: „Te melancholiek. Te ingewikkeld ook. Bij zijn geboorte had zijn vader besloten dat Hub violist moest worden, en hij kon zich niet tegen dat besluit verzetten. Het idiote was dat hij een geboren violist was. Twee weken voor zijn eindexamen op het conservatorium, waar hij echt een sterleerling was, is hij ervandoor gegaan om reisleider te worden. Kort daarna overleed zijn vader. Daar heeft hij psychisch wel van in de knoop gezeten.”

Alma: „Jullie hadden ook besloten dat ik violist moest worden.”

Marita: „Nee, niet besloten.”

Alma: „Zo voelde het wel.”

Marita: „Als je een goeie violist wilt worden, moet je vroeg beginnen, en als het in je zou zitten…”

Alma: „Van mijn vierde tot mijn twaalfde moest ik naar les en al die tijd heb ik jullie gesmeekt of ik mocht stoppen. Ik heb mijn viool stukgeslagen! Ik heb aan trapleuningen gehangen! Jij aan mijn benen trekken om me…”

Marita: „Ja, ja, ja.”

Alma: „Mijn juf! Verschrikkelijk! Ik zal maar niet proberen op haar naam te komen.” Ze lacht naar haar moeder. „Ik mocht van jou ook niet naar het Montessori Lyceum.”

Marita: „Omdat ik geen goede ervaringen had met studenten die van het Montessori kwamen. Ze konden niet spellen. De manier van denken, hun kennis, ik vond dat ze te veel aan de zijkant stonden, te weinig toegerust voor de harde maatschappij.”

Alma: „Ik moest naar het gymnasium.”

Marita: „Maar daar bleek dat ze dyslectisch was. En dan is Grieks en Latijn geen goed idee.”

Alma: „Daarna ging ik naar het Fons Vitae, waar ik vreselijk werd gepest. Mijn brood op de wc opeten om in de pauze maar niet door de gang te hoeven lopen.”

Marita: „Vreselijk. Toen ik dat doorhad, mocht je toch naar het Montessori. Ik had inmiddels wel begrepen dat ik bevooroordeeld was. Het Montessori was juist heel goed, in elk geval voor jou.”

Alma: „Drama, tekenen, een heel goede schoolkrant.”

Marita: „Waar jij de hoofdredacteur van werd. Op het Montessori ben jij schrijver geworden.”

Alma: „Ik liet alles altijd eerst aan jou lezen.”

Marita: „Om de foute d’s en t’s eruit te halen.”

De schoolkrant werd uitgeroepen tot de beste van Nederland, waarna Het Parool Alma vroeg om samen met haar schoolgenoot Fanny van de Reijt elke week twee pagina’s te vullen. Alma debuteerde op haar tweeëntwintigste met de erotische verhalenbundel Binnen spelen. Met haar roman De grote goede dingen uit 2014, over haar vader, brak ze door.

Merlijn Doomernik

Marita, waarom wilde je een kind met Hub?

„Ik kom uit een gezin van negen kinderen en ik heb zelf tot mijn drieëndertigste geprofiteerd van de pil. Toen ik mijn moeder eens vroeg of ze niet jaloers was dat wij het zo konden regelen, zei ze: welke van de negen had je willen missen?”

Alma: „Haha, goed antwoord.”

Marita: „Ik wilde graag kinderen, maar niet meteen. Bij Hub was het meer dat hij er geen bezwaar tegen had. Hij vond het aan de vrouw om dat te beslissen. Het duurde wel even voordat het lukte.”

Alma: „Zeven jaar.”

Marita: „Ik ben nog naar zo’n onderzoek geweest in het ziekenhuis. Daar kwam niets uit.”

Was je soms te oud?

„Ho, wacht. Nu maken jullie dezelfde fout die mannen altijd maken: dat het aan de vrouw ligt. Het kan ook aan de man liggen. Hub dronk te veel. Het roken had ook invloed, alleen was dat toen nog niet zo bekend.”

Vond je het geen probleem, dat enorme roken en drinken?

„Natuurlijk. Ik had astma en hij rookte heel lang ook gewoon in huis. Hij had een knijp-asbakje aan zijn lessenaar, zodat hij tijdens het vioolspelen kon roken. Zijn muziekvrienden komen hier” – ze wijst naar de voorkamer – „nog elk jaar spelen om hem te herdenken en dan staat het hier blauw.”

Alma: „Echt niet.”

Marita: „Vroeger wel.”

Hub Mathijsen leidde het Resistentieorkest, dat alternatieve salonmuziek speelde en optrad in het politieke televisieprogramma Haagse Kringen – heel populair.

Waarom was hij zo verslaafd?

Marita: „Hij werd achtervolgd door innerlijke angsten, dat heb ik jou” – ze kijkt naar Alma – „ook wel eens verteld. Irreële angsten en een zware kijk op de oorlog. Het zou allemaal zo weer kunnen beginnen, dacht hij, inclusief het vernietigen van mensen. Hij volgde de politiek heel goed en maakte zich enorme zorgen over ontwikkelingen in de maatschappij.”

Alma: „Hij keek tien keer per dag naar het nieuws.”

Marita: „Hij was van 1942, dus hij was een peuter in de oorlog. Dat maakt veel uit.”

Alma: „Groot genoeg om de angst en de stress te voelen, en te klein om te begrijpen wat er gebeurde.”

Marita: „Vrienden van me uit 1942 en 1943 hebben zelfmoord gepleegd. Ook schrijvers.”

Was dat roken en drinken een trage vorm van zelfmoord?

„Het was zelfdestructie, geen zelfmoord. Hij wilde leven.” Ze kijkt naar Alma. „Zullen we vertellen over de afspraak die hij had op de dag van zijn sterven?”

Alma: „Van mij mag het.”

Marita: „Hij zou naar de Jellinek gaan.”

Maar?

Marita: „De dag ervoor moest hij plotseling naar het ziekenhuis.”

En toen ging hij dood?

„Ik dacht dat hij heel sterk was. Achteraf waren er meer tekenen dan ik gezien had. Hij kreeg een longontsteking, gevolgd door een hartstilstand, maar de eigenlijke oorzaak was zijn lever. Die werkte niet meer. Alle organen vielen uit.” Hij was 51, Marita was 49. Alma was toen 9 jaar.

Ben je door je vaders dood schrijver geworden?

Alma: „Ik verzon al verhalen toen ik zes was, verhaaltjes over een lappenpop, die ik aan mijn moeder dicteerde. Over mijn vader ben ik gaan schrijven op de Rietveld. Door De grote goede dingen kon ik jarenlang weer met hem samen zijn, dat was heel fijn. Pas toen het boek af was, kreeg ik het moeilijk. Het was alsof hij voor de tweede keer doodging. Ik heb me altijd ontzettend geliefd gevoeld door mijn vader.”

Marita: „Jullie waren ook veel samen, want hij was overdag met jou thuis. Hij speelde voor je en dan danste jij.”

Alma: „We gingen ook heel veel televisiekijken en naar de kermis.”

Marita: „En naar musea.”

Alma: „De grote goede dingen was voor mij ook een katalysator om met mijn moeder over mijn vader te kunnen praten. Voor mijn nieuwe boek praten we weer veel over hem. Het speelt zich af in Italië, bij Ventimiglia. Daar hebben we een huis.”

Marita: „Gekocht van de opbrengst van mijn eerste boek, Waarde Van Lennep. Achtduizend gulden.”

Is over Hub schrijven de enige manier om het over hem te hebben?

Alma: „We praten sowieso veel. We bleven samen over, het was wij tegen de rest van de wereld. Weet je nog” – ze kijkt naar haar moeder – „toen Floris in jouw leven kwam?” Weer tegen ons: „Ik was negentien en ik heb me echt misdragen. Niet tegen hem praten. Geen antwoord geven als hij wat vroeg. Ik ben gelijk het huis uit gegaan.”

Floris komt binnen om hondje Mimi te halen voor een wandeling. Mimi duikt weg onder haar dekentje. „Floris Cohen”, zegt Marita. „Hij is wetenschapshistoricus.” Emeritus hoogleraar aan de Universiteit Utrecht en de Universiteit Twente.

Alma put voor het schrijven uit zichzelf, jij uit je kennis?

Marita: „Ik put ook uit mezelf.”

Maar had er een romancier in jou gezeten?

„Ik heb die ambitie nooit gehad en ik vind dat ik literair schrijf. Met literaire middelen de lezer de historie in trekken, dat is wat ik kan. Het voelt niet plaatsvervangend, meer als een ode aan het verleden. Negentiende-eeuwse schrijvers hebben schitterende boeken geschreven. Schilders uit die tijd zijn ondergewaardeerd. Er is zo weinig aandacht voor het verleden, er wordt zo achteloos mee omgegaan. Dat zit me dwars. Het is mijn motivatie om te blijven werken.”

Merlijn Doomernik

Alma, lees je je moeders boeken?

„Nee.”

Marita: „Ze krijgt al mijn boeken, maar ze hoeft ze van mij niet te lezen.”

Alma: „Ooit ga ik het doen.”

Marita: „Jij leest dat soort boeken niet, historische boeken. Mijn columns vroeger voor NRC las je wel.”

Alma: „Als ze over mij gingen, ja.”

Marita: „Toen ik merkte dat ze het niet meer leuk vond, ben ik ermee gestopt. Maar toen jij” – ze kijkt naar haar dochter – „ook met columns begon, hebben we afgesproken dat we over elkaar mogen schrijven wat we willen, dat we mogen overdrijven. Ik lees alles wat Alma schrijft, maar nooit om te beoordelen of ik er bezwaar tegen heb.”

Alma: „Mijn nieuwe boek ligt zo dicht bij de waarheid dat ik echt wil dat zij het als eerste leest, anders durf ik niet verder. Het gaat over rouw, rouw om mijn vader.” Ze kijkt naar haar moeder. „Ik wil weten of jij het niet te naar vindt.”

Marita: „We hebben het erover gehad of bepaalde dingen over papa wel naar buiten mogen komen, wat we nu vertellen over zijn alcoholisme bijvoorbeeld. Vroeger probeerde ik de schijn op te houden dat het meeviel, wat ten opzichte van zijn vrienden niet lukte. Ze waren erbij als dingen tijdens concerten uit de hand liepen. Ten opzichte van de familie lukte het beter en je kunt je afvragen of je de façade niet in stand moet houden.”

Alma: „Het antwoord is nee, anders kun je het verhaal niet vertellen.”

Marita, schaamde je je voor Hub?

Marita: „Dat geloof ik niet. Alma, heb jij ooit het gevoel gehad dat ik me voor papa schaamde?”

Alma: „Nooit. Je wilt misschien wel een bepaald beeld van hem in stand houden, maar dat is liefde. Ik bedoel, de liefde is er altijd geweest.”

Marita: „Hub was niet zijn alcoholisme.”

Alma: „Het is een ziekte. Dat zei je laatst.”

Marita: „Kanker. Het is hetzelfde als met kanker. Je komt er niet vanaf met wilskracht.”

Wat vond je ervan toen Alma in NRC over haar verkrachting in Italië schreef?

Marita kijkt naar Alma. Alma: „Ik had het nooit aan mijn moeder verteld, dus ik was wel bezorgd.”

Marita: „Niet schrikken mama. Zo begon je de mail waarmee je me het stuk stuurde. Dus ik schrok enorm.”

Je had er eerder al over geschreven in De grote goede dingen.

Alma: „Daarvan kon ze nog denken dat het fictie was.”

Marita: „Maar toen ik die scène las dacht ik wel: dat kun je alleen zo beschrijven als je het hebt meegemaakt.”

Je vroeg Alma niet of het echt gebeurd was?

Marita: „Dat durfde ik niet.”

Alma zwijgt.

Marita: „Niet schrikken mama wordt de titel van het boekje dat we samen gaan schrijven voor de Maand van de Geschiedenis. De CPNB heeft ons voor het essay gevraagd.”

Samen een boek schrijven?

Marita: „Ja, het thema is zij/hij. We schrijven brieven aan elkaar. Alma doet de voorzet en ik weid uit over de historische ontwikkelingen in de positie van mannen en vrouwen.”

Alma: „Ik focus op het heden. Er is nog zoveel mis.”

Marita: „En toch, zoals we hier zitten, vier vrouwen, dat was een eeuw geleden ondenkbaar. Wat zeg ik? Vijftig jaar geleden nog. Mijn moeder met haar negen kinderen, ze kon geen kant uit. Stel je voor hoe het was als vrouw in de zeventiende eeuw. Altijd zwanger, sterven in het kraambed, kinderen die hun eerste levensjaar niet eens haalden, geen zeggenschap over je lichaam. Vruchtbaarheidsbeheersing is voor mij van hetzelfde niveau als de uitvinding van de boekdrukkunst. Je kunt het vrouwen uit het verleden niet verwijten als ze hun talenten niet gebruikten. Vrouwen van deze tijd wel.”

Alma, wil je kinderen?

„Ik voel de drang niet, zoals sommige van mijn vriendinnen. Helemaal niet.” Ze lacht. „Sorry mama.”

Vind je dat jammer, Marita?

Alma: „Ja, dat vindt ze jammer.”

Marita: „Ik was veertig, dus er is tijd en hoop.”

Ben je bang dat een kind je werk in de weg zal zitten?”

Alma: „Dat ook.”

Zat Alma jou in de weg?

Marita: „Ik had helemaal niet het gevoel dat een kind mijn carrière zou knakken, welnee. Het was prima te combineren. Ik nam haar als baby wel mee naar college en dan zette ik haar achter in de zaal, ook om te laten zien aan studenten: het kan.”

En toen Hub was overleden?

„Je moet het goed regelen. Albert Heijn de boodschappen laten bezorgen, dat soort dingen.” Ze kijkt naar Alma. „Het was zoveel zwaarder geweest zonder jou. Jij zei laatst dat ik zo sterk was toen, maar dat is omdat ik jou had.”

Alma: „Dat vind ik zo knap, dat het je gelukt is om mij goed opgevoed in de wereld te zetten.”

Marita: „Ik heb wel een paar jaar moeite met schrijven gehad. Brieven van Bilderdijk bewerken, dat was precies wat ik aankon. Het overlijden van Hub zette een rem op mijn werk. Maar jouw geboorte, nee. Ik was nog met mijn proefschrift bezig, ik nam alles mee naar het ziekenhuis. De dokters lachten me uit.”

Doet Alma je aan Hub denken?

Marita: „Ja.”

Waarin?

Marita: „Dat ze over grenzen gaat. Alma doet dingen als parachutespringen, diepzeeduiken, dat zou ik van mijn leven niet doen.” Tegen Alma: „Maar jij zou nooit iemand kwetsen en dat deed Hub wel.”

Ook als hij nuchter was?

Marita: „Ja. Hij was waanzinnig intelligent en enorm verbaal. Mensen die hun autoriteit wilden laten zien, die maakte hij genadeloos af. Ik vond dat wel leuk, hij deed dingen die ik niet durfde.”

Alma: „Ik wil tegen onrecht vechten. Zwarte Piet, #MeToo. Ik dwing mezelf om grenzen over te gaan. In elk boek wil ik iets nieuws ontdekken.”

Merlijn Doomernik

Wat schrijf je aan je moeder in Niet schrikken mama?

Alma: „Hoe het zou zijn als ik als jongen geboren was. Het is een gedachte-experiment. Hoe zou mijn leven er dan uitzien? Zou ik angst voelen als ik ’s nachts over straat liep? Zou ik meer verdienen? Had ik een groter ego gehad? De kans op verkrachting was heel wat kleiner geweest.”

Heb jij #MeToo-achtige dingen meegemaakt, Marita?

„Niet echt. Ja, vroeger had je wel van die mannen in regenjassen die hun piemel lieten zien, hoe noemde je die ook alweer? Potloodventers. In mijn studententijd had ik een stalker.”

Alma: „Wát?”

Marita: „Die liep heen en weer voor mijn raam. Ik heb ook wel eens meegemaakt dat een vent me vroeg of ik hem wilde aftrekken. En Hub had het verhaal van een priester met snoepjes in de zak van zijn pij. Die moesten kinderen er dan uithalen.”

Alma: „Gátver.”

Marita: „Wat ik heel goed vind van Alma: dat ze door over de verkrachting te schrijven inzichtelijk maakt hoe zoiets gaat. Nee zeggen, en dan toch…”

Alma: „Je wordt opgevoed met de verhalen van brute mannen die uit de bosjes springen of je van je fiets trekken, maar zo gaat het meestal niet. De dader is meestal iemand die je kent, of een beetje kent, en hij voelt zich geen dader. Ik ben er jarenlang van in de war geweest, totdat ik begreep dat seks tegen je zin altijd verkrachting is.”

Marita: „Hoe mannen altijd met vrouwen zijn omgegaan, daar zullen we het in ons boek ook over moeten hebben.”

Jacob van Lennep had vijf bastaardkinderen. Vier bij de vrouw van een bakker en eentje bij, waarschijnlijk, een meisje uit hogere kringen. Dat kind werd weggemoffeld bij een vrouw in een volkswijk. Marita: „Zijn echte vrouw heeft het allemaal maar moeten verdragen. En dan die affaire met Doortje Ringeling.”

Jacob had al zes kinderen bij zijn vrouw toen hij er met Doortje vandoor ging, ze wilden met de boot naar Engeland. Zijn vader ging achter hen aan en gunde hun één nacht, in Hotel des Pays Bas in Rotterdam. Marita: „De volgende ochtend zette hij zijn zoon in de koets, terug naar zijn gezin.” Het werd een schandaal dat Jacob van Lennep later nog zijn hoogleraarsbenoeming heeft gekost.

En Doortje Ringeling? Zij bleef haar hele leven alleen en stierf eenzaam. Marita: „Hetzelfde verhaal als dat van La Traviata, de opera van Verdi naar de roman van Alexandre Dumas. De vader maakt een eind aan de liefde van zijn zoon en het meisje blijft achter. Voordat ze sterft zingt ze: ‘Wie zal er rozen leggen op mijn graf?’ Ik heb het graf van Doortje op de Lage Vuursche ontdekt en toen heb ik er rozen op gelegd. Het bijzondere is, sinds mijn boek zijn er meer mensen die dat doen.”

Alma: „Wij gaan tweemaal per jaar naar het graf van papa, op zijn sterfdag en op zijn verjaardag. Ik ruk onkruid uit de grond en we planten er verse bloemen. Een dode vader is ook een vader.”

    • Rinskje Koelewijn
    • Jannetje Koelewijn