Bij Hoevelaken rechtsaf

Het grote verhaal Geen plaatsnaam zo synoniem met file als Hoevelaken. Het knooppunt daar, een ‘klaverblad’, is verouderd. Verkeer schuift er in elkaar en komt tot stilstand. Eromheen gaat het leven door. Portret van een (on)bewogen stukje Nederland.

Kwennie Cheng

Een paard gaat nooit van huis af, nóóit, zegt boer Theo. „Maar die stier, die verrrdómmeling…” Zijn felblauwe ogen fonkelen onder z’n pet. „Die klóótzak, donders, die brak zó uit.” „Rotbeest”, knikt z’n vrouw Margriet.

„Paarden erachteraan.”

Zondag 1 oktober 2017 ontvluchten rond acht uur ’s morgens een stier en twee paarden de wei van de 78-jarige Theo van Wee. Ze rennen de snelweg op bij knooppunt Hoevelaken. Theo heeft niets door.

Was knooppunt Hoevelaken een uitbundig vlechtwerk met flyovers, dan was het vee misschien geschrokken blijven staan. Het was ze gaan duizelen, al die wegen. Maar Hoevelaken is overzichtelijk. Een bescheiden klaverblad met vier lussen, perfect symmetrisch, verscholen in het groen. Jaarlijks miljoenen auto’s, tussen de bomen een permanent gezoef. Alleen de stier en twee paarden van boer Theo waren er stille getuigen, toen ze er nog stonden, op de grasweide tussen geluidswal en klaverblad.

Was het maandagochtend, dan hadden de dieren de spitsstrook mogelijk niet eens gehaald. Knooppunt Hoevelaken ligt midden in Nederland, daar waar de A28 van Groningen naar Utrecht de A1 tussen oost en west kruist. Eén van de drukste verkeerspunten van het land. Die vier klaverblaadjes, die zijn de poort naar de Randstad, de draaischijf van de economie.

Waarschijnlijk waren de paarden in de file beland. Kílometers vaststaand verkeer, tot Barneveld aan toe. In de jaarlijkse file-top-50 staat Hoevelaken meermaals genoemd. De draaischijf hapert.

Het klaverblad is verouderd, dat is nu precies het probleem. Ooit begonnen als doodgewoon kruispunt promoveerde knooppunt Hoevelaken in de jaren 60 tot rotonde en in 1971, volgens de nieuwste verkeersinzichten, tot klaverblad. Een ongelijkvloerse kruising van wegen in de vorm van een klavertje vier. Korte invoegstroken, scherpe lussen, zodat je op een klein oppervlak alle vier de richtingen op kan. Knooppunt Hoevelaken is één van de acht klaverbladen die het Nederlandse rijkswegennet telt. Maar als het zo doorgaat, is de filedruk hier in 2030 nog 40 procent hoger dan nu.

Meerdere klaverbladen voldoen niet meer en worden, zoals Hoevelaken, de komende jaren door Rijkswaterstaat omgebouwd tot een modern knooppunt. Want het verkeer groeide, maar de klavertjes groeiden niet mee. Ze zijn te klein geworden, de invoegstroken te kort. Verkeer dat nu wil afslaan naar de populairste rijrichtingen hoopt zich op en belemmert auto’s die rechtdoor willen, waardoor ook het verkeer op de andere blaadjes gaat haperen. Stroomopwaartse effecten, heet zoiets. Iedereen roept altijd om bredere wegen, maar meer asfalt heeft volgens verkeersdeskundigen nauwelijks zin. Knooppunten, díé zijn het probleem.

„Een paard weet de weg terug naar huis”, zegt boer Theo. „Hónderrrd procent.”

„Radiografisch bestuurbaar”, knikt Margriet.

Maar ze komen niet terug. De stier rent de A1 op, de paarden slaan bij Hoevelaken rechtsaf, richting Utrecht.

Kwennie Cheng

Het oog van de filestorm

Plant een kruispunt en je verdeelt het landschap in kwadranten. Met de klok mee: noordelijk ligt nieuwbouwwijk Amersfoort-Vathorst waar boer Theo woont, ooit tussen de koeien en nu tussen de jonge gezinnen. Oostelijk: het welvarende Hoevelaken, met pensionado’s, boerderijtjes en bridge in het dorpshuis. Zuidelijk: Leusden. Westelijk: Amersfoort.

Vraag het omwonenden en iedereen zegt: dat klaverblad, dat nemen we niet, véél te druk. Wie hier woont of werkt, in het oog van de filestorm, dagelijks ingesloten door kilometers stilstaand verkeer, die kijkt wel uit. Die kent ‘de binnendoortjes’. De sluiproutes over de Hogeweg, de Energieweg of via Vathorst. Het tunneltje onderdoor of het spoor over en dan ‘het weggetje lang de kippetjes’ richting Bunschoten. Wij staan nooit vast, zeggen omwonenden trots.

Maar de forens is ook niet achterlijk. De laatste jaren nam het sluipverkeer rondom knooppunt Hoevelaken groteske vormen aan. Probeer in nieuwbouwwijk Vathorst maar eens einde middag vooruit te komen over de parallelweg met rotondes, dezelfde weg waarvoor het woonhuis van boer Theo eens over 38 meter lengte moest worden verplaatst. „Omdat het één metertje in de weg stond”, zegt hij. De hele wijk liep uit toen zijn huis met een hoogwerker werd opgetild en op een rails geplaatst, de plantjes nog voor de ramen. Zijn land had Theo toen al aan Rijkswaterstaat verkocht, net als de andere boeren.

Vanaf de snelweg staat knooppunt Hoevelaken anderhalve kilometer tevoren aangegeven op het blauwe bord. Maar wie op een rustig moment rechtdoor rijdt, heeft van het klaverblad amper weet. Pas als je afslaat en inweeft, snelheid mindert, de bocht neemt en weer uitvoegt, dringt de plek zich even in je bewustzijn op.

Je kunt ook níét uitvoegen en de klaverblaadjes oneindig blijven nemen. Lus na lus, zoals motorrijders soms met volle snelheid doen. „Ik leg m’n motor zo plat dat m’n steppies op de grond komen”, zegt een jongen met oorring rokend voor de ingang van coffeeshop ’t Klavertje, op een achterafplekje in het oostelijk kwadrant. De jongen woont vlakbij en is eigenaar van een Suzuki GS 500 met nieuwe vering.

Vooral in het weekend, zegt hij, is het klaverblad onder motorrijders populair. Hij kent meerdere jongens uit de omgeving die zich erop hebben doodgereden. Jongens die met hun motorrijbewijs hadden gewacht tot hun 21ste om meteen de zwaarste cc te mogen rijden. Geen oefening op een lichtere vooraf. Vanaf de buitenkant insturen, motor laten ‘vallen’ in de bocht en weer terug rechtop, dat is op het klaverblad de kunst. En als je een auto tegenkomt: rémmen – al kent hij jongens „die knijpen ’m er tussendoor op de vluchtstrook”. Maar als je uitglijdt schuif je naar de zijkant en kom je terecht tussen de poten van de vangrail. „Dat is een gehaktmolen.” De jongen (naam bekend bij de redactie) haalde zijn motorrijbewijs op z’n achttiende en heeft zowat alle klaverbladen in Nederland gehad. „Maar deze”, zegt hij trekkend aan zijn rokertje, „is wel een van de fijnste die ik heb gereden”. Hoevelaken mag dan verouderd zijn, híj is er juist blij mee. Hoevelaken heeft krappe bochten, lagere snelheden. Sommige klaverbladen zijn zó ruim, dan moet je 160 halen om je steppies tegen de grond te krijgen. „Dit is technischer rijden.”

Het oostelijk kwadrant

Het oostelijk kwadrant, dat is het dorp Hoevelaken. Waren de paarden direct de A28 overgestoken en de vangrail over gesprongen, dan waren ze hier beland. In Hoevelaken vind je in het straatbeeld de meeste verwijzingen naar het knooppunt. Naast de coffeeshop is er ook een kledingwinkel met de naam ’t Klavertje, en er zit een klaver in de logo’s van een makelaardij, de ondernemersvereniging en de Lions Club.

De Hoevelakers hebben veel aan het knooppunt te danken. Gelegen randje Bijbelgordel was het ooit een gesloten gemeenschap. Gereformeerde enclaves als Zwartebroek, Terschuur, Bunschoten en Spakenburg liggen om de hoek. Maar Hoevelaken is anders. Het knooppunt bracht nieuwe bewoners, ondernemers, forenzen. De welvaart is er dankzij de bereikbaarheid een van de hoogste in Gelderland.

De Hoevelakers roerden zich ook het meest toen bekend werd dat het knooppunt zou worden aangepakt. Tijd dat ook eens naar hén werd geluisterd, vonden ze. Al jaren keken de bewoners met een schuin oog naar de negen meter hoge geluidswal die in het noordelijk kwadrant was opgetrokken rondom nieuwbouwwijk Vathorst. Het geluid daalde met westenwind al onevenredig neer op Hoevelaken, en nu met die geluidswal kaatste het autogeraas nog eens extra hard terug op de oorspronkelijke bewoners. Zoef, zoef, zoef, pulserend tussen huizen door. Waarom kregen zíj niks, geen schermpje, helemaal niets? Discriminatie, klonk in de gemeenteraad.

En de Hoevelakers waren al niet allemaal even blij met de nieuwbouw in het noordelijk kwadrant. Breng op zondag maar eens een bezoek aan het Hoevelakense Bos. Op deze groenstrook met feeërieke beukenlaan heerste ooit rust. Nu struikel je over de honden en de kinderen. Gékkenhuis. In Vathorst is geen groen, dus komen ze allemaal via het tunneltje onder de A28 door hier recreëren. Maar waarom per auto, om vervolgens aan de bosrand op een veel te kleine parking massaal hun bolide neer te plempen?

De villabewoner die naast het bos woont heeft standaard een achttal rode pionnen gestapeld klaarstaan bij de uitrit, voor op zondag, anders komt ’ie er met zijn jeep niet eens meer langs. Maar de kapster in Vathorst, Marieke Kuik, begrijpt haar wijkgenoten in het noorden wel. Ze heeft zelf vier kinderen en een drukke baan. „Iederéén hier zit in permanente tijdnood. In het Hoevelakense bos worden de herfsttafels verzameld. Met de auto, want je hebt nog wel meer te doen.”

Je druk maken over het knooppunt? Daar hebben ze in het noordelijk kwadrant geen tijd voor. In haar kapsalon uitkijkend op de geluidswal is het amper een gespreksonderwerp. De Stint, de zwemles, dáár gaat het over. Ze kent wel mensen die hun slaapkamer vanwege het autogeruis hebben verplaatst naar de achterkant, maar zelf zit Marieke prima. Verderop in de wijk heeft iedereen juist weer last van de „sminkbult”, een torenhoge afvalberg van vuilverwerker Smink. „Het is hier kiezen tussen stank en geluid.”

Kwennie Cheng

De paarden van boer Theo

Even na achten, 1 oktober 2017. Automobilisten op de A28 zien de paarden over de vluchtstrook draven, mee met het verkeer. Boer Theo weet dan nog altijd van niks. „Een vluchtpaard moet je eigenlijk inspannen”, zegt hij. De koffie pruttelt en Theo staat op om de melk te kloppen. „Zo’n paard heeft vuur, dat voel je aan de teugels.” Maar zijn paarden zijn anders niet zo wild. Wirona, een vijftienjarige Gelderse meid, hoog kruis, platte kont, staat vooral roerloos in de wei. En een jong paardje, Amanda, was een lieverd waar de kinderen uit de nieuwbouwhuizen graag op reden. Ze stond een jaar lang in de stal met stier Joep. Dat schept een band. Toen Joep uitbrak wilde ze er vast achteraan, denkt hij.

Hier had vroeger iederéén een paard. Eén pk, voor de trekker of de wagen. Ploegen, zaaien, oogsten, een paard voor álles. Zo’n werkpaard had honger. Maar moet je nu eens zien hoeveel pk er over het land raast. Wirona hoeft haast niets meer te doen, wat gras en een paar sneetjes brood, daarmee kan ze toe.

„Alles is veranderd”, knikt Margriet.

De toenemende verkeersdruk in Nederland zie je terug rondom knooppunt Hoevelaken. Slonk het erf van boer Theo tot minimale proporties ten faveure van de auto, dat van Autosloperij Ham, in het oostelijk kwadrant, is nu juist van dubbel formaat. De 29-jarige Erik Ham nam het bedrijf over van zijn vader en stuurt wekelijks 33 auto’s naar de schrootverwerker. En altijd zijn er wel een paar opgehaald van het klaverblad. Misgegaan bij de drukke invoegstroken. „Hier, dit is er eentje”, wijzend naar een Skoda, dertig centimeter slanker dan hij ooit was. „Niet gekeken in de spiegel, denk ik.”

Zo’n paard heeft vuur, dat voel je aan de teugels

De situatie in Hoevelaken is onhoudbaar, daar is iedereen het al jaren over eens. Het sluipverkeer is iets verminderd sinds onlangs aan de Hogeweg ten zuiden van het knooppunt midden in de weg een paaltje is gezet. Zo eentje dat omlaag kan voor de bus. In het begin werd het er wel eens uit gereden door een vrachtwagenchauffeur die zijn navigatie niet had geüpdatet. Was met de gedachten misschien al bij de bal gehakt, verderop in de straat bij truckerscafé De Tweede Steeg, zeventig jaar geleden begonnen omdat bij elk knooppunt een oma hoort die de koffie schenkt.

De chauffeurs mogen van geluk spreken, besef je rondlopend op het autokerkhof van Erik Ham. Hier staan de nieuwste modellen personenauto’s, total loss. Audi’s, Volvo’s, Volkswagens, BMW’s. Voorruiten aan gruzelementen, autoblik fijngeknepen als een blikje cola, bovenhelft eraf – gezaagd, door de brandweer. En overal opgeblazen airbags in de coupé. Hoewel, sommige zijn juist ingeklapt gebleven. „Foutje van de fabrikant”, zegt Ham droogjes. Komt ’ie geregeld tegen.

Welk ongeluk eraan voorafging, weet hij meestal niet. Wil hij ook niet weten. Maar soms heb je over het lot van inzittenden wel vermoedens. Wijzend naar de kromgebogen stalen carrosseriebalk in de voorkant van een BMW, centimeters dik staal: „Deze was eerst recht”.

De oksel van de afrit

Bij het zien van de paarden op de A28 remmen twee vrachtwagenchauffeurs als eerste af. Ze zetten hun alarmlichten aan en gaan naast elkaar rijden om de weg voor achterliggers te blokkeren. Dit is het moment dat Johan Berkendam, op weg naar Snowworld Zoetermeer voor twee uurtjes sneeuw, tegen zijn vrouw roept: „Rustig, zestig rijden!” Met de auto piepen ze er nog snel even langs. Johan is wegwerker van beroep en kijkt op de weg altijd al iets verder dan de doorsnee-automobilist.

De paarden hebben hun draf getemperd. Nu komt het aan op snel handelen, weet Johan. Hij stopt, haalt z’n wegwerkershesje uit de achterbak en loopt naar de paarden. Hier is het nog rustig op de weg, maar even verderop komt de toerit van de A1 erbij. Automobilisten zullen daar achteloos invoegen op volle snelheid. Dan knalt de eerste de beste met 100 kilometer per uur op een paard.

Waren de paarden bij Hoevelaken niet rechts- maar linksaf geslagen, de A1 op, dan had de 75-jarige Tineke van Schalm ze misschien nog kunnen stoppen. Zij woont in het zuidelijk kwadrant. In de oksel van de afrit. Ze schoffelt nog altijd in de tuin rondom de hoeve waar ze is grootgebracht als kind, nu aan drie kanten omgeven door een hoog geluidsscherm.

Ooit woonde ze in het boerenland. Verderop was het eindpunt van de A1, een T-splitsing in het weiland. Ze keek uit over de akkers en het dorpsgezicht van Hoevelaken. En moet je nu eens zien.

„Kijk daar gaan ze”, zegt Van Schalm wijzend naar de silhouetten van auto’s die achter de glazen wal rondom haar huis cirkelen. In de jaren zestig werd pal rondom een scherpe bocht aangelegd en later kwam de glazen geluidswal. Zet er een dak op en je zit altijd droog, grapte haar man.

De afrit is zo scherp dat, vooral nog vóór de tijd van stuurbekrachtiging, flink wat auto’s op het laatste stukje de bocht uit vlogen. „Dan hoorde je de banden piepen en dacht je: gaat ’ie of gaat ’ie niet?” Haar man trok er geregeld met zijn tractor één uit de bosjes.

Irritant? Zoon Fred vond het „feest” toen bij het doortrekken van de A1 de afrit rondom werd opgespoten. „Gebruikten we als springschans, met de crossmotor. We scheurden zo het talud op, de weg over. En ’s winters met de slee van het viaduct af.” Ze hadden een boomgaard, pony’s en konden vrijuit sleutelen aan auto’s en kamperen met vrienden, en in de schuur hield Fred eens een festijn voor de buurt, met driehonderd man. „Die van ’t kruispunt”, heette de familie bij kennissen in het hele land.

Dan hoorde je de banden piepen en dacht je: gaat ’ie of gaat ’ie niet?

Met de komst van de geluidswal waren ze plots pas écht afgesloten van de wereld, niemand die hen nog zag. De Hoevelakense fanfare kwam niet meer langs, maar ook de politie of de gemeente niet. Vrijheid, dat bracht de afrit hen. „Het was een paradijs op aarde”, zegt Tineke. „Ons eigen eilandje en niemand had last van ons.”

Tineke wijst naar de siertuin, met hulstbomen, bramen, sparren en een walnotenboom. Er leven hazen, konijnen, de bonte specht, drie soorten mezen en hermelijnen en er staat een kippenren en een houten blokhut vanwaar ze de eekhoorntjes voert. Zachtjes zoemen de auto’s op enkele meters afstand, het zuchten van automobilisten in spitstijd nog nét niet hoorbaar. Buiten de geluidswal raast het verkeer voort, binnen de wal is de wereld vredig. Alsof ze in een glazen stolp woont.

Maar het sluipverkeer slokt álles op. Het landschap, de wegen, het woongenot. Toen verderop een rijtje huizen werd afgebroken ten faveure van het verkeer keek Van Schalm direct op de provinciale weg, het enige uitzicht dat ze nog had. Elke avond raakte ze verblind door duizenden koplampen. Ze schenen vanaf de eettafel op ooghoogte direct haar woonkamer in. „Kom zelf maar kijken”, zei ze eens tegen mannen van de gemeente. Dat deden ze en de oplossing vonden ze ook. Nu kijkt Van Schalm vanaf de eettafel uit op een aarden wal, precies tot ooghoogte.

Kwennie Cheng

Stier Joep

Om elf uur ’s ochtends gaat bij boer Theo de bel. Twee agenten. Na een online oproep van de politie – van wie is dit vee – hadden bewoners zijn naam genoemd. De agenten waren gaan kijken en het hek van zijn weiland stond open, vertellen ze aan de deur. Terwijl Theo toch echt wist dat hij het hek, met prikkeldraad, gesloten had.

Stier Joep kon snel worden gevangen, hoort Theo. Die is in een weiland bij Vathorst gestald. Ook Wirona en Amanda leven nog. Vrachtwagenchauffeurs hebben ze met hulp van een automobilist in veiligheid gebracht, nog vóór de samenvoeging met het autoverkeer van de A1. Ze lieten zich naar een weitje verderop drijven. Samen met de politie haalt boer Theo zijn vee op. Maar wat hij niet begrijpt: wie opende dat hek?

In de kantoortoren van Rijkswaterstaat in Utrecht, ver weg van het knooppunt, zitten twee projectleiders in een steriele vergaderzaal, Rob Termaat en Christa Kempenaar. Het plannen maken voor de modernisering van Hoevelaken lieten ze over aan de markt. Overheden en bewoners dienden hun wensenlijstjes in, hier een scherm, daar een tunneltje, Rijkwaterstaat bepaalde het budget – 770 miljoen euro – en de bouwbedrijven die hapten mochten gezamenlijk aan de slag.

Rob drukt op de afstandsbediening van de beamer en onder een begeleidend gitaarmuziekje begint op het scherm een impressionistisch filmpje over het project te lopen. „Wij kunnen ’m inmiddels dromen”, zegt Christa. Te zien is een brede ronde ‘kom’ van wegen in het landschap, ze zullen het huidige klaverblad per 2023 vervangen. Voordeel: in- en uitvoegen is straks helemaal niet meer nodig. Alleen het klaverblaadje vanuit het noorden naar het oosten blijft zoals ’ie is – die rijrichting was toch al niet zo populair. Nadeel: het geheel, inclusief de wegen, is breder en slokt een aantal huizen, bedrijfspanden en vijftig hectare bos op. Vandaar prognose 2023: dan zijn alle te verwachten rechtszaken en bezwaarprocedures doorlopen, inclusief hoger beroep.

Een planstudie van 50.000 pagina’s behelst de ombouw van knooppunt Hoevelaken. Onlangs organiseerde Rijkswaterstaat in elk kwadrant een informatieavond; in het dorp Hoevelaken kwamen de meeste mensen. Tot half november mochten bewoners hun zienswijzen indienen. Al is over de zogeheten kunstwerken – tunnels, flyovers – de knoop al doorgehakt. Dat zijn „de dure jongens”, zegt Christa.

„We proberen met iedereen in gesprek te blijven”, zegt ze. Maar Christa weet: één klein foutje, zoals een grens verkeerd aangeduid, en de rechter stuurt het hele plan terug. Met 25 man werkt ze op de achttiende verdieping fulltime aan het project. „Dit is voor ons de eredivisie.”

Kwennie Cheng

Thuis aan zijn keukentafel zit Rob Wesselingh achter de iPad. Hij is een echte Hoevelaker. Had een eigen bedrijf, ooit neergestreken vanwege de bereikbaarheid. Die 50.000 pagina’s, die waren gelukkig ook online in te zien. En wat een geluk ook dat hij en de drie andere bestuurders van Stichting Hoevelaken Bereikbaar en Leefbaar, met 900 leden een niet te onderschatten club, met pensioen zijn.

Heel wat dagen zijn ze eraan kwijt geweest. Joyce, eigenaar van een prachtige natuurtuin ten oosten van het knooppunt, is het meest bedreven in het scannen van de documenten. „Als je ziet hoe snel zíj erdoorheen gaat”, zegt voorzitter Wesselingh bewonderend. „We richten ons op delen, verder kom je niet.” Kloppen de detailelementen, de afmetingen, de vergunningen? En kan het nieuwe fietspad langs de snelweg straks fysiek gescheiden blijven van „het drugscafé”, coffeeshop ’t Klavertje?

Een geluidsscherm voor Hoevelaken, dat was één van zijn belangrijkste punten. En dat scherm gaat er komen, drie meter hoog. Ander punt: een afrit voor het dorp vanuit de richting Amsterdam. Die afrit was verdwenen met de samenvoeging van Hoevelaken met Nijkerk, dat wél een afrit kreeg. Eén afrit erbij, dan elders één eraf, was toen wat de minister wilde. Maar Wesselingh en zijn club lieten zich niet zomaar afschepen. Wat kost dat, zo’n afrit? vroegen ze Rijkswaterstaat. Honderd miljoen, was het antwoord. Met dertig moet ’t ook kunnen, zei de stichting. En nu, met de aanstaande verbouwing van het knooppunt, keert de afrit terug – met steun van gemeente en provincie. Rob en zijn club zijn al aardig tevree. Zíj wel.

Tineke van Schalm, ingesloten tussen de geluidsmuren en de aarden wal, pakt een brief van Rijkswaterstaat erbij. Ze is heus intelligent, als oud-lerares op de middelbare school, maar sommige ambtelijke taal gaat ieders pet te boven. Ontwerptracébesluit dit, saneringsplanbesluit dat, en elke keer willen ze met haar perceel weer iets anders. „Ik snap er geen biet meer van.”

Waar het volgens haar nu op neerkomt: de afrit waarbinnen ze woont moet verplaatst naar achteren, waardoor die nog spitser wordt en haar woonerf nóg smaller, en de geluidswallen rondom haar huis nóg hoger en nóg dichter bij haar huis. En de provinciale weg pal voor haar deur, rond spitstijd nu al één grote verkeerschaos, moet verbreed.

Tegen zoveel oprukkend verkeer is zelfs Van Schalm niet meer bestand. Ze wil weg. Maar hoe? Rijkswaterstaat zegt haar niet te kunnen uitkopen en de gemeente heeft van haar grond ‘verkeersbestemming’ gemaakt. Dat moet eerst teruggedraaid naar woonbestemming, anders kan haar perceel niet verkocht. De gemeente heeft dat toegezegd, maar de toekomst blijft ongewis. „Ik schijn dus in een overgangsfase te zitten.”

Eenmaal op de tekentafel van Rijkswaterstaat ben je als bewoner lijdend voorwerp, dát is wat haar zo onzeker maakt. Je wordt ingetekend. „En één pennenstreek en alles is weer anders.”

Nederland is volgebouwd

Boer Theo loopt naar achteren en haalt van de werkbank een losse hekkensluiter, dezelfde als op zijn weiland. „Hier, trek er maar eens aan. Die krijg je heus niet zomaar los.”

Eerst dacht hij aan een van „die verrrdómde jongens” in de buurt. Maar toen was hij diezelfde middag eens goed gaan kijken bij het hek. Hij vond er pootafdrukken in het gras. De klauwtjes van stier Joep. En even later was ’t bingo: „Zat ’ie te kloten met z’n punthorens aan het hek!”

Margriet knikt. „Betrapt!”

Het was Joep.

Theo begrijpt ’t wel. Zo’n stier heeft tijd zat. Maar een dag na de uitbraak probeerde ’ie het weer, waren ze er bijna weer met z’n drieën vandoor, en dat was toch echt niet de bedoeling. „Die stier had praatjes.”

Nederland is volgebouwd, elke vierkante meter bezet. Sleutelen aan het landschap kan niet zonder consequenties. Om knooppunt Hoevelaken om te bouwen is ruimte nodig. Bomen moeten sneuvelen, en dat moet wettelijk weer elders gecompenseerd.

Vijf kilometer hadden de paarden nog moeten draven, dan kwamen ze uit bij hondensportvereniging ’t Haartje, verstopt op een braakliggend terreintje in het westelijk kwadrant, Amersfoort, pal aan de A28. Thuishaven van Rien Peters, 69 jaar.

Peters is voorzitter van de club, vijfhonderd leden, en hij is hier dagelijks te vinden voor een klusje. Bladblazen, grasmaaien; de trainings- en wedstrijdvelden liggen er pico bello bij. Hij heeft net 25.000 euro geïnvesteerd in de bewatering en nieuwe led-verlichting. Hij heeft de nieuwe kantine met serre én bar, groter heb je ze in de hondensport haast niet, eigenhandig gebouwd. De omheining, niet voor de honden maar tegen de mensen van buitenaf, vandalen, is zelf aangelegd. En ook de enorme puinbult, 1.600 vierkante meter aan tegels en rotzooi, bedoeld om verstoppertje te spelen met de reddingshonden, is met mensenhanden opgeworpen. „Nou, daar word je gauw flauw van hoor.”

Een deel van de bomen die verderop vanwege het knooppunt sneuvelen zouden hier, op zíjn hondenveld, moeten worden herplant. Al meerdere keren zijn medewerkers van Rijkswaterstaat langs geweest om erover te praten.

Dit terrein, ten westen van het knooppunt, huurt de hondensportvereniging van de gemeente, nadat ze eerder al eens moesten vertrekken van een veld zuidelijk van knooppunt Hoevelaken wegens weguitbreiding, waarna ze in het noordelijk kwadrant terecht kwamen, waar ze óók weer weg moesten vanwege gebiedsontwikkeling. En nu zitten ze hier alweer twintig jaar, op een prima terreintje.

Peters kent wel meer verenigingen in de hondensport die vanwege herinrichting moesten verkassen of zelfs zijn opgedoekt. De overgebleven stukjes Nederland, áls ze er zijn, daar mogen ze het mee doen. De restjes zijn voor de hond.

Maar waarom zijn zíj altijd de klos, vraagt hij zich af, en nooit de tennis- of de hockeyclub? Daar zit natuurlijk het geld, denkt hij, bij de hondensport niet. De voetbal, de korfbal, de handbal, alle sportverenigingen krijgen subsidie, „onder de noemer sociale functie”. En zij? Hou op… niets. „Maar wat vergeten wordt: wij zijn óók maatschappelijk bezig.”

Denk aan de reddingshond die op de puinbult leert snuffelen naar mensengeur, aan de politiehond die hier in volle vaart zijn tanden in de pakwerker zet („dan ben je aardig blauw hoor”), aan de hond die door zijn baasje jarenlang is verwend en hier alsnog de nodige portie gehoorzaamheid en discipline krijgt aangeleerd. „Wíj leren hier de hondenbezitters dat ze een poepzakje moeten meenemen”, zegt Peters. Want mensen zijn net…? Hij knikt. „Honden ja, dat mag je gerust zeggen.”

Als de vereniging een nieuw terrein krijgt aangeboden dat groot genoeg is, is Peters best bereid te verhuizen. Zelf heeft hij ook al in de wijde omgeving gezocht naar een alternatief. Met Rijkswaterstaat valt best te praten, zegt hij, en met de gemeente ook. Ze zijn heus niet onwillig. Maar als hij vraagt: waar is nog een plekje ongebruikt terrein, dan weten zij het ook niet. „Er ís niks meer.”

Wíj leren hier de hondenbezitters dat ze een poepzakje moeten meenemen

Het weiland van boer Theo zal er na de verbouwing van het knooppunt waarschijnlijk nog wel liggen. Maar zijn gebruikelijke weggetje ernaartoe verdwijnt, begreep hij van iemand van het ontwikkelingsbedrijf. Dus hoe moet hij dan nog voeren? „Ja, ik kán er straks wel bij, maar dan moet ik helemaal omrijden tot aan de meubelboulevard verderop en dan rechtsaf. Een wereldreis, ben je besódemieterd. Wat denkt die kerel wel, schiet op, ben je bedonderd, zo gek ben ik nog niet hoor.” Fonkelende ogen. „Nu ja, we wachten rustig af.”

Hij kijkt naar alle nieuwbouw om zich heen. „Ik had dit nóóit kunnen bedenken. Vroeger zat ik achteraf, en nu… ik kan aan de overkant zien wat ze aan hebben op de tv.”

„Voetballen, hè”, zegt Margriet.

Maar hij is tevreden met de nieuwe omgeving. „Ik heb héle beste buren. Ken ze allemaal van naam. Anne, Joris, Rutger. Allemaal jonge mensen, ik heb goed geluk. En kijk dat paard eens.”

Midden op zijn erf staat Wirona, hoofd omlaag. „Dat paard heb ’t best hoor.”

„Een luxepaardje”, knikt Margriet.

Maar ze is alleen. Het jonge paardje Amanda is niet meer. Die kreeg een hartstilstand, net toen een meisje uit de buurt erop reed. Stilstaan, wiebelen en plóf. Meisje in tranen.

En stier Joep?

Theo glimlacht. „Die zit nu in de diepvries.”

„Soep met schenkelvlees”, knikt Margriet. „En gehakt. Halfom, da’s het beste. Krijg je stevige ballen van.”

    • Freek Schravesande