Recensie

Vivaldi met onthoofding en broeierige lapdance

Regisseur Floris Visser situeert bij De Nationale Opera Vivaldi’s oratorium ‘Juditha triumphans’ in de Tweede Wereldoorlog. Die ingreep maakt de gewelddadige ondertoon van het werk beter invoelbaar.

Juditha Triumphans door De Nationale Opera
Juditha Triumphans door De Nationale Opera Foto Marco Borggreve

Antonio Vivaldi. Lang kenden we zijn naam vooral van virtuoze barokviolistiek en tot muzak verworden evergreens als De vier jaargetijden. Dat Vivaldi ook wat in zijn mars had als componist van vocale muziek drong pas echt breder door sinds Cecilia Bartoli twintig jaar terug enkele vergeelde partituren opdiepte uit de bibliotheek van Turijn. Bleek de roodharige priester ook nog een slordige honderd opera’s, cantates en oratoria te hebben geschreven.

Neem het Latijnse oratorium Juditha triumphans (1716), losjes gebaseerd op de heldendaden van de bijbelse Judith. Wanneer de Babylonische veldheer Holofernes haar stad belegert, smeekt de Joodse schone hem haar volk te sparen in ruil voor haar onvoorwaardelijke liefde. Wat heet: als de schurk met haar tussen de lakens wil kruipen, voert ze hem dronken en hakt ze zijn hoofd af. De barokke meester Caravaggio vereeuwigde het bloedige tafereel in dramatische licht- en donkertinten op een van zijn beroemdste schilderijen.

Het is een meesterzet dat regisseur Floris Visser dat doek tot spil maakt van zijn Juditha-enscenering voor De Nationale Opera. De nieuwe setting die hij het oratorium aanmeet: een Noord-Italiaans dorp ten tijde van de Tweede Wereldoorlog, waar de Duitsers (Babyloniërs) en de partizanen (Israëlieten) elkaar de tent uitvechten rondom een kapot geschoten kerk. Halverwege de voorstelling duikt de Caravaggio plotseling op uit een partij Nazi-roofkunst. Je ziet Judith als het ware op ideeën komen als ze haar barokke evenbeeld aanstaart op het doek.

Ontroerende puurheid

Juditha anno 1943. Die ingreep bleek zo gek nog niet. Vissers sprong naar het nabije verleden maakt de gewelddadige ondertonen van het werk scherper invoelbaar. Temeer daar hij de summiere handeling (het blijft een oratorium) emotioneel uitdiept met een geacteerde verkrachting hier en een fusillade daar. Ook veelzeggend: hoe Visser Judith laat eindigen als zwaar getraumatiseerde vrouw. Walgend rijt ze tijdens het slotkoor Caravaggio’s schilderij aan flarden. Wat nou heldendaad?

Muzikaal had de voorstelling zaterdag even nodig om goed op stoom te komen. De fraseringen van mezzosopraan Gaëlle Arquez (Judith) klonken aanvankelijk wat gespannen. Van een ontroerende puurheid waren echter haar ingetogen een-tweetjes met de chalumeau (het barokke broertje van de klarinet) in de aria Veni, veni, me sequere fida. Dankzij expressieve uithalen en smeulende lage registers overtuigde haar vertolking van het dramatische klaag- en moordwerk.

De Italiaanse Teresa Iervolino (Holofernes) bleek met een boosaardige wenkbrauw- en neusvleugelmimiek een sterk acterende snoodaard. Jammer dat haar mezzogeluid wat dunnetjes bleef in de laagte. Polly Leech zong een vitale Abra.

De Russische mezzo Vasilisa Berzhanskaya groeide in de loop van de avond in de technisch zeer veeleisende rol van Holofernes’ hulpje Vagaus. Klonken haar coloraturen aanvankelijk raak maar zwoegerig, in haar slot-aria vuurde ze haar toonherhalingen als af als een mitrailleur, verbazingwekkend in souplesse.

Na een wat gebrekkige klankbalans in de ouverture en het openingskoor wist het Zwitserse barokgezelschap La Cetra genuanceerde kleurnuances op te diepen uit de met een viola d’amore, mandoline, theorbes en trompetten opgetuigde partituur. Met felle accenten, een geselende strijkersklank en stuwende bassen wist dirigent Andrea Marcon de strijdlustige passages scherp uit te lichten.

Mooi detail: de zeer schalks gespeelde hobo- en orgeldialoog waarmee Vivaldi de listige verleidingskunsten van Judith omlijst. Op de bühne ontspon zich intussen een broeierige lapdance.

    • Joep Christenhusz