Bergingsbedrijf kocht Iraaks politicus om, vermoedt eigenaar SHV

Berging in Irak Om een miljoenengeschil op te lossen betaalde SHV-dochter Mammoet de Iraakse politicus die naar eigen zeggen Saddam Hussein ophing. Hoe een prestigeklus eindigde in mogelijke corruptie.

Parlementslid Mowaffak al-Rubaie in zijn eigen woonkamer waar om de nek van het beeld van Saddam Hussein het touw van de galg hangt.
Parlementslid Mowaffak al-Rubaie in zijn eigen woonkamer waar om de nek van het beeld van Saddam Hussein het touw van de galg hangt. Foto Sabah Arar / AFP

Camp Justice, Bagdad, 30 december 2006

Nog voor zonsopgang wordt Saddam Hussein de ruimte binnengeleid waarin hij zal sterven. In zijn geboeide handen draagt hij een koran. De dictator die decennialang in Irak een terreurbewind kon voeren, is schuldig bevonden aan de moord op 148 Iraakse shi’ieten en zal worden opgehangen aan de galg.

Bij de hendel van de galg staat Mowaffak al-Rubaie, een overheidsfunctionaris die is gemarteld onder Saddams regime en na diens val is opgeklommen tot nationaal veiligheidsadviseur. Nadat de dictator het trapje is opgesleept en de strop om zijn nek heeft gekregen, haalt Al-Rubaie de hendel over.

Maar hij is het niet die Saddam daadwerkelijk doodt, tekent persbureau AFP later op uit zijn mond. De galg werkt pas als een ander voor een tweede keer aan de hendel trekt. Nog voordat Saddam de geloofsbelijdenis kan reciteren, klapt het luik onder zijn voeten open.

Het is Al-Rubaie die meevliegt in de helikopter om het lichaam naar de premier te brengen. Hij herinnert zich de opkomende zon boven de horizon.

Utrecht, 17 januari 2017

Tussen de marmeren zuilen op het statige hoofdkantoor van SHV in Utrecht is onrust ontstaan.

Die gaat over Mammoet. Het zwaar-transportbedrijf is één van zeven dochters van Nederlands grootste familiebedrijf, en bij de jonge, ruige bergingstak ervan is mogelijk iets fout gegaan. Een nieuw probleem, dat kunnen ze er echt niet bij hebben.

De leiding van SHV heeft al heel wat moeten doorstaan. Bij enkele dochters zijn de laatste tijd alarmerende ontdekkingen gedaan. Dubieuze betalingen bij een onderdeel van technisch handelshuis Eriks in het Midden-Oosten. Onregelmatigheden bij voedselfabrikant Nutreco. Zorgelijke signalen bij de hijskranentak van Mammoet en bij een klus in Mauritanië.

En als ze alles nou in stilte hadden kunnen oplossen, zoals SHV dat altijd al deed, dan ging het nog wel. De vermogende en invloedrijke eigenaar, de familie Fentener van Vlissingen, houdt niet van publiciteit. Die beloont liever loyaliteit en discretie. Maar na publicaties in NRC en een serie bezoeken van en aan de fiscale opsporingsdienst FIOD en het Openbaar Ministerie bemoeit de buitenwereld zich hinderlijk met haar zaken.

Achter de natuurstenen gevels van het hoofdkantoor op de Rijnkade werkt inmiddels een heel team met hulp van advocatenkantoor De Brauw aan het verantwoorden van kwesties die strafrechtelijk worden onderzocht, terwijl nieuwe kwesties blijven binnenstromen. Er is geen houden aan. Alleen al zeventien „nieuwe fraudezaken” in het laatste kwartaal van 2016, staat in een vertrouwelijke, interne memo van SHV

Stilhouden blijft de strategie. Ondanks het lopende strafrechtelijk onderzoek schrijft het bedrijf in die memo een nieuwe fraudezaak toch maar weer binnenkamers te houden. „Op advies van De Brauw zal geen vrijwillige melding gedaan worden bij autoriteiten in Nederland en China.”

Nu dit weer. Gedoe, in Irak.

Perzische Golf, 2012

De klus is een buitenkansje – zo mooi komen ze zelden langs.

Dertig meter onder het wateroppervlak van de Perzische Golf en vijftig kilometer uit de korte kuststrook van Irak ligt een enorme olietanker te verroesten.

Het is de Amuriyah, die al decennia de toegang tot de Al Basra-olieterminal blokkeert, het offshore platform waar de bulk van de Iraakse exportolie doorheen gaat. Wil Irak de export uitbreiden, dan moet de Amuriyah weg.

Tijdens de militaire operatie Desert Storm in 1991 hadden de Amerikanen een paar MK-20-clusterbommen op de Amuriyah laten vallen, uit angst dat Saddam Hussein de tanker zélf op de olieterminal zou laten invaren bij een invasie. Het schip, tot de nok gevuld met olie, had na het bombardement twee weken liggen branden op het water. Toen was het naar de bodem gezonken. Wie bergt de Amuriyah?

Als een internationaal ingenieursbureau in 2012 de aanbesteding voor de berging uitschrijft, toont het Nederlandse Mammoet Salvage meteen interesse. Het heeft eerder onder internationale belangstelling succesvol de Russische kernonderzeëer Koersk geborgen. Dit zou weer een prachtige prestigeklus zijn. Na de nodige duikinspecties biedt Mammoet aan om de Amuriyah te bergen voor 65 miljoen dollar, plus ruim 30 miljoen extra als het schip niet in één stuk omhooggehaald kan worden.

Met het bod wint Mammoet de strijd van concurrenten als Smit, Resolve, Titan en Svitzer. Op 14 december 2012 tekenen de Nederlandse bergers het contract met de opdrachtgever, het Iraakse staatsbedrijf South Oil Company in de kuststad Basra. Ze slapen in het Sheratonhotel in Bagdad. Uit hun raam zien ze de plek waar het beeld van Saddam werd neergehaald.

Dan moet de vaart erin, want het wrak moet volgens de planning in achttien maanden zijn geborgen. Mammoet plaatst een projectteam in Dubai, contracteert duikers en huurt een lokale agent in voor beveiliging en logistiek.

Boven het wrak bouwt het een complete werkvloot. Op het water drijven aan elkaar vastgemaakte sleepboten uit Dubai, een kraanbak uit China om het staal uit het water te takelen en een accommodatieplatform uit Singapore met daarop slaapcabines, kookfaciliteiten en Aziatisch personeel.

In de drukste maanden leven meer dan honderd mensen op de werkvloot. Duikers dalen in wisseldiensten naar de supertanker af om met thermische lansen in het ijzer te zagen. Het is hard werken: twaalf uur op, twaalf uur af, dag en nacht, een volle maand achter elkaar. Op de vloot is weinig te doen, behalve over het water staren en de vis eten die koks op de barbecue grillen.

De klus blijkt al gauw even prestigieus als problematisch. De Amuriyah kan niet in één stuk omhoog worden gehaald. Door het wrak lopen grote breuklijnen, het zal in stukken moeten worden gezaagd.

De gebombardeerde olietanker Amuriyah brandde twee weken voordat hij zonk. Foto onbekend

Ook aan wal loopt de spanning op. Halverwege 2014 valt terreurbeweging IS Irak binnen. De overheid heeft al haar geld nodig om de oprukkende militanten te bestrijden en stopt de betalingen aan Mammoet. Aan het einde van het jaar, na vijf onbetaalde maanden, loopt de rekening in de tientallen miljoenen.

Mammoet en het staatsoliebedrijf belanden in een verbeten patstelling. Mammoet wil niet verder werken omdat het niet betaald wordt en wil de dure vloot opbreken. Het oliebedrijf vindt dat onacceptabel. Het eist dat de operatie doorgaat en de werkvloot intact blijft.

Omwille van de veiligheid haalt Mammoet het meeste personeel weg. Als het in mei 2015 op een nacht ook stiekem de gehuurde Chinese kraanbak wegvaart – scheelt toch in de kosten – wordt de sfeer onaangenaam. Naast de kraanbak verschijnt een Iraakse kanonneerboot met de hoezen al van de lopen. De Irakezen staken de achtervolging pas als de kraanbak in de wateren van Koeweit is. De Nederlanders aan boord van het achtergebleven platform moeten de dag erna woedende Irakezen tot bedaren brengen.

Dit gaat zo niet langer, vinden ze op het hoofdkantoor van Mammoet in Utrecht. Een crisiscomité buigt zich dan al maanden over de kwestie. Het geld stroomt het project uit en de sfeer in Irak wordt steeds grimmiger. Mammoet stelt alles in werk om de rekening van inmiddels 55 miljoen dollar betaald te krijgen. Directeuren vliegen af en aan naar Irak voor overleg met het staatsoliebedrijf. Ze laten het internationale advocatenkantoor Eversheds uitzoeken of beslag kan worden gelegd op olie van Iraakse tankers in Europese havens. Dat blijkt lastig. Een belangrijk overleg met het staatsoliebedrijf heeft een „nogal onbevredigende uitkomst” staat in vertrouwelijke bedrijfsdocumenten.

Een paar dagen later, op 4 augustus 2015 om 6 uur ’s ochtends lokale tijd, legt Mammoet het werk aan de Amuriyah stil.

Londen, december 2015

De portier draagt een bolhoed, obers zetten rosbief en glazige aardappels op tafel. Een groepje mannen in pak luncht deze middag in de statige National Liberal Club. De ruim honderd jaar oude, besloten herenclub ligt achter het parlement; diplomaten en politici komen er graag.

De Nederlanders in het gezelschap zijn van Mammoet en Mammoet Salvage. Ze vragen in het Engels beleefd advies aan twee mannen van Iraakse afkomst. Hoe kan de ketting van de vloot af en hoe komen de betalingen los?

De ene Irakees is Ali Baker, een 37-jarige consultant in Londen. Hij is lid van deze herenclub. Een advocaat van Eversheds had de Nederlanders op deze zakenman gewezen. Als ze ook nog maar iets van hun geld wilden terugzien, adviseerde de advocaat, moesten ze het hogerop zoeken, bij het ministerie van Olie in Bagdad. Dat kan je niet rechtstreeks benaderen, nee.

En zo komen ze hier uit bij Baker, die bekendstaat om zijn uitstekende zakelijke en politieke contacten in Irak, had de advocaat gezegd.

Als iemand de klus kon vlottrekken, was hij het wel, Ali.

Tot dan zijn pogingen de betalingen los te krijgen ook na het stilleggen van het project, onverminderd doorgegaan – het stilleggen alleen al kost 2,5 miljoen dollar per maand.

Zo schreef Mammoet de Nederlandse ambassadeur in Bagdad aan. Die zegde niet alleen zijn hulp toe, maar ook die van zijn collega’s op het ministerie van Buitenlandse Zaken in Den Haag én die in Europa. Hij kaartte de kwestie aan bij de South Oil Company en bij de minister van Olie, maar zonder resultaat.

In een laatste gesprek met het staatsoliebedrijf had Mammoet nog eens alles op alles gezet. Ze hadden de top uitgenodigd op het kantoor van Mammoet in Dubai – afspreken in Irak was te gevaarlijk. Ze hadden hen business class laten overkomen met luchtvaartmaatschappij Emirates en hen ondergebracht in een luxe hotel aan zee; een lokale agent regelde alles. Zelfs voor ‘stapgeld’ had Mammoet gezorgd, „90.000 dollar in totaal”, volgens een betrokkene.

Tijdens de powerpoint-presentatie van de Nederlanders over hun visie op het dispuut was de stemming er niet beter op geworden. Vuisten vielen hard op tafel, stemmen klonken luider en luider. Zo nu en dan dreigde een Irakees weg te lopen. En aan het eind was daar weer het eeuwige ‘het komt goed’, zonder enige zekerheid. Zelfs het hotel stemde de gasten ontevreden. Mammoet had evengoed hun kamers in een ander hotel betaald. Ook dat hielp niet.

Plan B, dus. De andere Irakees in de Londense herenclub is Ali’s vader. Dr. Mow, noemen de Nederlanders hem. Hij is een in Groot-Brittannië opgeleide neuroloog. Als uitgesproken criticus van Saddam Hussein kreeg hij na de val van de dictator een belangrijke plaats in de overgangsregering en hij werd nationaal veiligheidsadviseur.

Nu is hij een invloedrijk Iraaks parlementariër met machtige vrienden op het ministerie van Olie. Mowaffak Baquer al-Rubaie is zijn volledige naam. De man die Saddam Hussein bijna ophing.

De Nederlanders aan tafel kennen hem wel. Ze stelden die zomer een brief voor hem op die hun zaak bepleitte en die hij alleen nog maar uit zijn naam naar de minister van Olie hoefde door te sturen. („Excellentie, sta me toe een zeer belangrijke kwestie voor uw ministerie en ons geliefde land onder uw aandacht te brengen.”)

Toen ze vervolgens niets hoorden, vroeg Frits Rebel – in het bestuur van Mammoet verantwoordelijk voor compliance – opheldering aan de advocaat. Ze hadden Dr. Mow in juli toch nog gesproken? Rebel, in een e-mail eind augustus aan de advocaat: „Ik verliet die bespreking met het gevoel dat hij de kwestie in ieder geval zou opnemen met zijn vriend de Minister van Olie?”

Rebel was een jaar ervoor nog general counsel van SHV. Na zijn overstap werkte hij nog een tijd één, soms twee dagen per week op het hoofdkantoor aan de Rijnkade. De advocaat antwoordde Rebel dat Al-Rubaie eerst een „formele relatie” met Mammoet wilde. Een contract.

Nu dat is geregeld, vormt zich in de herenclub een plan. Vader Mow zal snel terugkeren naar Bagdad om een ontmoeting op het olieministerie te regelen. Drie mannen van Mammoet zullen hem in gezelschap van zoon Ali nareizen om het gesprek te voeren.

Maar de enige die vlak voor Kerst nog durft af te reizen is directeur Fokko Ringersma van Mammoet Salvage. De situatie in en rond Bagdad is dan explosief, met zware gevechten tussen het Iraakse leger en IS. Het Sheraton met uitzicht op de plek waar het standbeeld van Saddam is neergehaald, is niet meer veilig. Ringersma moet overnachten in de zwaar beveiligde Green Zone.

In een vervallen ministerie, waarin de liften niet meer werken en het marmer van de zuilen komt zetten, krijgt hij te horen dat Mammoet de afgevaardigden geld moet toestoppen om de boel weer vlot te trekken.

Als Ringersma met die boodschap in Nederland terugkomt, blijkt dat Mammoet buiten zijn medeweten het materiaal en personeel van de berger heeft verkocht aan concurrent Koole. SHV wilde ervan af, het vond de risico’s te groot. Ringersma is woedend en neemt met enkele andere directeuren ontslag. In een civiele rechtszaak hierover in het voorjaar van 2018 vertelt hij over zijn gevaarlijke bezoek aan Irak, „terwijl IS aan de stadspoort rammelde”.

Niet lang na zijn bezoek komt het project dan toch weer op gang. Of de bemiddelaars daar extra voor betaald krijgen, is niet duidelijk. Mammoet kiest er in ieder geval voor om de klus maar af te maken, dan kunnen de spullen weg.

In grote brokken wordt de Amuriyah uit het water gehesen. Mammoet heeft dan nog altijd ruim 14 miljoen dollar tegoed van het oliebedrijf. Plus 96 miljoen dollar voor meerwerk door de tegenvallers en de vertraging. In augustus 2017 legt Mammoet Salvage een claim neer bij het oliebedrijf. Die loopt daarna alleen maar op, tot meer dan 120 miljoen dollar.

Utrecht, januari 2017

De uitstaande miljoenenrekening is niet de enige vervelende erfenis van het project. De top van SHV buigt zich over de boeken van Mammoet. Aan wie heeft Mammoet nou eigenlijk betaald? Van het antwoord hangt nogal wat af.

Lees ook: Begraven onder een dikke laag zand

In september 2015 – na de brief aan de minister en vóór de lunch in Londen – heeft Mammoet een contract gesloten met Ali Baker om, zo stelt een memo van SHV, „an amicable solution” te vinden voor het lostrekken van de bergingsklus.

Voor zijn diensten krijgt Ali volgens betrokkenen een vast bedrag van zo’n 8.000 dollar per maand. Niet duidelijk is wat hij daar precies voor moet doen. Ook krijgt hij een success fee, een percentage van het bedrag waarmee het oliebedrijf hopelijk alsnog over de brug komt. Als dat lukt, kan de fee in de miljoenen lopen. Ali tekent namens Reznek Consultants, een onbeduidend bedrijfje op Cyprus. Maar het bedrijf blijkt helemaal niet van Ali te zijn, maar van zijn vader Mow, net als de Dubaise en later Zwitserse bankrekening waarnaar Mammoet de bedragen overmaakt.

Het betekent dat onder toezicht van SHV een invloedrijk Iraaks politicus rechtstreeks is betaald om een politiek gevoelige klus te klaren. De wet laat hier weinig ruimte. SHV stelt in de memo voor een intern onderzoek in te stellen met de codenaam Project Sunshine, naar de „redelijke verdenking” van „een strafbaar feit”, namelijk: „omkoping van een buitenlandse official”.

SHV wil niet reageren op vragen van NRC. Mowaffak al-Rubaie appt dat hij „niet gemachtigd” is om iets te zeggen over zijn rol bij de berging.

Eén ding wil hij wel rechtzetten: hij heeft wel degelijk Saddam Hussein opgehangen. „Ik trok de eerste keer aan de hendel en die zat de eerste keer vast. Maar ik probeerde het een tweede keer en toen werkte het.” Maar goed, dat is een „andere kwestie”, appt hij ook. „Je moet nooit zaken met politiek vermengen.”

    • Esther Rosenberg
    • Carola Houtekamer