Een intern memo dat inschat: we zijn overdreven angstig voor klimaatbeleid

Haagse Invloeden Deze week: kinderpardonkoorts, Rutte die nerveus rondbelt, een nieuw CDA, de VVD op zoek naar klimaatvrede. Ofwel: als de politiek de angsten van burgers hoger aanslaat dan de inschattingen van de eigen ambtenaren.

Op de werkkamer van de spindoctor van de VVD trof ik deze week een treffend tafereeltje. De spindoctor, Kees Berghuis, had het regeerakkoord, Vertrouwen in de toekomst, op zijn formica salontafeltje gelegd.

Er stak een rode bladwijzer uit: als je het regeerakkoord daarmee opensloeg kwam je op de pagina waarop staat: „(-) het kinderpardon blijft in haar huidige vorm gehandhaafd.’’

Hiernaast had Berghuis een vaasje geplaatst; het type teer vaasje dat in december door Rutte werd gebruikt om de kwetsbaarheid van het land te benoemen.

Het vatte het conflict van de week aardig samen.

Drie coalitiepartijen – CDA, D66, CU – die het kinderpardon voor langdurig in Nederland verblijvende kinderen willen versoepelen, samen met een onmiddellijke stop op uitzettingen.

Daar tegenover de VVD die vasthoudt aan het regeerakkoord omdat ze, concurrent van PVV en FvD, vreest dat Wilders en Baudet profiteren als de coalitie te coulant wordt.

Het dilemma – je kunt ook zeggen: de gijzeling – van de Nederlandse politiek in één beeld.

Nadat persoonlijke relaties in de coalitie vorige week verzuurden over Dijkhoffs kritiek op het ontwerp-Klimaatakkoord, kreeg je begin deze week de indruk dat enkele coalitiepartijen nog steeds op ramkoers lagen.

Er gebeurde zoveel in korte tijd – het was amper bij te benen.

Het begon ermee dat CDA en D66 vorige week zaterdag in het AD meldden dat zij het kinderpardon soepeler willen toepassen.

Dit gaat om het zogenoemde meewerkcriterium: gezinnen kunnen alleen een beroep doen op kinderpardon mits zij eerder bereid waren aan hun uitzetting mee te werken.

Het CDA, geadviseerd door oud-minister van Justitie Hirsch Ballin, vindt dat Europese jurisprudentie de strikte toepassing van dit criterium blokkeert – vandaar dat CDA en D66 zeiden: we moeten de toepassing van dit criterium versoepelen.

Het maakt óók deel uit van een herpositionering waarvoor binnen het CDA al langer wordt gepleit: de directeur van het Wetenschappelijk Instituut, Pieter Jan Dijkman, en de komende partijvoorzitter, Rutger Ploum, willen terug naar de klassieke middenpartij.

Daarbij valt ook op dat je in de fractie nu hoort dat leden twee jaar terug al kritisch waren op Buma’s inhoudelijke lijn.

Het politieke effect van een herpositionering kan zijn dat het CDA op termijn aansluit bij een sentiment dat ook in andere middenpartijen leeft: een verlangen naar regeren zonder de VVD. Zo presenteerde D66 in Trouw zijn lijstduwer bij de Europese verkiezingen, Jan Terlouw. Kop: ‘D66 had het neoliberalisme eerder moeten bestrijden’.

Het praktische gevolg zag je maandag. De CU, die in de formatie vergeefs vocht voor een verruimd kinderpardon, eiste, in reactie op de ommezwaai van CDA en D66, een uitzettingenstop van gezinnen die mogelijk onder de verruiming vallen.

In het coalitieoverleg noemde Buma het verzoek van de CU „logisch”, en daarmee werd een tweede nieuw feit gecreëerd: drie coalitiepartijen vroegen verruiming van het kinderpardon én een onmiddellijke uitzettingenstop.

Of dit politiek-psychologisch verstandig was, weet ik niet. Uit informele contacten was, begreep ik, gebleken dat met staatssecretaris Harbers te praten was over verruiming van het kinderpardon, mits dit na de verkiezing gebeurde.

Maar de aanvullende eis – meteen een uitzettingenstop – ging de VVD veel te ver.

Al jaren zien ze daar hetzelfde: als het gedwongen vertrek van individuele kinderen in de media komt, hoor je Wilders of Baudet niet. Maar zodra de VVD instemt met een algemene regeling ten gunste van asielzoekers, kinderen of niet, openen PVV en FvD de aanval op Rutte – en lopen VVD-kiezers over.

En wie denkt: maar kinderen zijn belangrijker, dus dat moet maar, raad ik aan de laatste Peilingwijzer van vorig jaar december te raadplegen: dertien procent PVV, acht procent FvD.

Ofwel: je hebt mede door deze discussie een reële kans dat de Eerste Kamer straks voor een kwart bestaat uit rechtse nationalisten. Ook dát aspect speelt mee.

Het verklaart waarom de coalitie het hondsmoeilijk had na maandag tot een vergelijk te komen.

Je hoorde dat Rutte vanuit de Antillen nerveuze telefoontjes met coalitiepolitici pleegde: „Hij was er niet gerust op.”

Later in de week hoorde je dat relaties tussen fractieleiders opklaarden; dat na het chagrijn over Dijkhoffs Telegraaf-interview de zakelijkheid terugkeerde.

Evengoed viel op dat partijen elkaar over het kinderpardon amper naderden. Er werd geprobeerd de onderhandelingen te verbreden met andere onderwerpen.

Er werd gezegd: misschien kunnen we voor het Kamerdebat (komende woensdag) een procedureafspraak in een motie vastleggen.

Het liet zien dat CDA, D66 en CU deze week feiten hebben gecreëerd waarvan ze de gevolgen zelf niet overzagen.

Ik geloof wel dat ze als coalitie bij elkaar willen blijven. Maar of het kan?

Dit had niet zo’n lading gekregen als de coalitie vorige week niet zo zwaar had gebotst over Dijkhoffs kritiek op het ontwerp-Klimaatakkoord – waar de Kamer woensdag óók over debatteert.

Het paradoxale was: je kwam de hele week VVD’ers tegen die de klimaatvrede preekten. De een na de ander benadrukte dat hun partij gecommitteerd blijft aan een Klimaatakkoord in april.

Maar de ontvangst van het ontwerp-Klimaatakkoord eind december blijft een vreemde geschiedenis.

Zoals bekend worden effecten van dit ontwerp nu doorgerekend door de planbureaus, maar sommige media kenden die effecten meteen. Krantenkoppen als ‘Waslijst groene ingrepen plundert portemonnee burger’ (22 december) en ‘Burger wordt kaal geplukt’ (4 januari), alsmede wetenschappers die beweren dat Nederland door klimaatbeleid ‘economisch een derde wereldland’ wordt (29 december).

Of het klopt weet niemand, maar deze week kreeg ik een intern stuk onder ogen – ‘Memo inkomenseffecten klimaatbeleid en de schuif in de energiebelasting’ – waarin ze eind vorig jaar op Sociale Zaken de inkomenseffecten van een mogelijk Klimaatakkoord verkenden.

Het stuk is bewust voorzichtig: omdat maatregelen van de mobiliteitstafel nog niet meegenomen konden worden, hielden de auteurs nadrukkelijk een slag om de arm.

Toch maakten zij „een best mogelijke inschatting” van de koopkrachtgevolgen van het ontwerp-Klimaatakkoord.

Ze stelden bezorgd vast dat lage inkomens méér inleveren dan hoge, maar noteerden ook: „De effecten per jaar zijn relatief beperkt (max 0,3% per jaar) en slaan vooral neer ná deze kabinetsperiode.”

Nogmaals: een indicatie; geen hard feit. Maar zelfs als deze inschatting driemaal te laag is, tast het klimaatbeleid tot 2030 de gemiddelde koopkracht per huishouden met minder dan één procent per jaar aan.

Geregeld presenteren kabinetten op Prinsjesdag nieuw beleid met structurele koopkrachteffecten van een procent meer of minder. Niemand heeft het dan over plunderen van de huishoudportemonnee of ons voorland als derde wereldland.

Het illustreert dat we beeldvorming nu behandelen als een harder feit dan de feiten zelf.

En dit creëerde de laatste weken zulke gevaarlijke politieke omstandigheden dat je dacht: is het misschien toch geen idee als politici de inschattingen van hun ambtelijke adviseurs weer hoger waarderen dan de angsten van burgers en sommige media?