Opinie

    • Tommy Wieringa

De sneeuw van weleer

Ik ging naar Groningen om een verhaal te houden in de aula van het Academiegebouw. Het was ’s morgens vroeg, ik was voor dag en dauw van huis gegaan om voor de lezing nog een paar uur ongestoord te kunnen werken. De weg door de polder was lang en donker, toen ik de stad binnenreed koos ik zonder nadenken de weg naar mijn moeders huis op de Vismarkt – waar ze niet langer was om te omhelzen. Ze overleed in december 2015 aan een vorm van kanker die goed te behandelen was geweest als ze ermee naar het ziekenhuis was gegaan. Maar ze koos voor de geruststelling van een antroposofische huisarts die stug volhield dat de plek op haar tepel een ontsteking was, en toen het toch kanker bleek voor de dwaalwegen van malafide wonderdoeners die niets dan hoop verkochten, soms verpakt als magische pilletjes en soms als occulte behandelingen. Tien jaar lang reisde de aanstaande dood van onze moeder als een donkere wolk boven ons hoofd, zodat ik haar werkelijke dood aanvankelijk ook als opluchting heb ervaren – nu kon het ergste niet meer gebeuren omdat het ergste nu gebeurd was.

Ook dat ging voorbij: er was gemis voor in de plaats gekomen, en dat ik me soms verbeet om de domme dood, dat zwijgzame, saaie personage.

Ik schoof binnen bij Konditorei Bommen Berend aan de Oude Ebbingestraat om te werken; lichte sneeuwval buiten, de straten kleurden al wit, maar ik dacht aan de sneeuw van gisteren, waar die was. Mais où sont les neiges d’antan? klonk het refrein van François Villons beroemde ‘Ballade van de dames van eertijds’ – waar is de sneeuw nu van weleer?

Om halfelf, op de trappen naar het Academiegebouw, herinnerde ik me opeens dat ik als student altijd overmatig zweette – ik was het vergeten. Ik vreesde de universiteit met haar complexe sociale dynamiek; iedereen leek altijd precies te weten waar te zijn, wat te denken en met wie te praten; mij kwam die hele studententijd voor als een verdwaling in een ongastvrij, ver land. Nooit daarvoor en nooit daarna heb ik zo gezweet, eenmaal thuis schoot ik vaak andere kleren aan omdat ik mijn eigen weeë stank niet verdroeg.

Toen een docent Ruslandistiek eens een lovend commentaartje schreef in de kantlijn van een paper (‘je hebt talent’) hield ik het meteen voor gezien, nam een baantje als afwasser en ging een roman schrijven.

In de aula dacht ik terug aan Gerrit Komrij, die daar eens een lezing hield over het schrijven van libretto’s. Hij zei toen: ‘De librettist begint als brullende tijger en eindigt als matje voor de haard’. Nu, dertig jaar later, hield ik er dan zelf een lezing, voor leraren die vanuit het hele land naar hun alma mater waren teruggekeerd. Ik memoreerde mijn leraar Nederlands, een groot en dubbelzinnig man met wie ik lang in onmin leefde. We zagen zijn ontroering wanneer hij Bloem en Vasalis las, en ondergingen zijn woede wanneer wij niet dezelfde gevoeligheid aan de dag legden. Hij had ons, zei ik, de liefde voor de poëzie het liefst met de laars en de zweep bijgebracht. Pas later in het leven sloten we vrede, nadat we elkaar weer ontmoetten bij een boekpresentatie van A.L. Snijders, een vriend en oud-collega van hem. In 2016 stierf hij, vlak voor Kerst.

Terwijl mijn lichaam daar hoog op het spreekgestoelte stond (het zweette niet) en mijn mond woorden oplas van papier, dwaalden mijn gedachten af. Bijna iedereen in mijn gedachten die dag was dood. In een urn in het Drentse veen gestopt, uitgestrooid in de IJssel of begraven in de Portugese heuvels. De levenden, dat zijn zij die napraten over de doden, vlak voordat ze zelf sterven.

Achter de gebrandschilderde ramen sneeuwde het nog steeds. Prins, zoek niet langer waar ze zijn en / Herhaal niet langer keer op keer / Als droef refrein op mijn refreinen: / Waar is de sneeuw nu van weleer?

Tommy Wieringa schrijft elke week een column op deze plaats.

    • Tommy Wieringa