Recensie

Recensie Boeken

Hoe leef je als je weet wat je sterfdatum is?

Chloe Benjamin Vier kinderen krijgen in New York van een waarzegster te horen wanneer ze zullen sterven. Het is het begin van een spannende en ontroerende familieroman, waarin je als lezer kunt verdwijnen.

De skyline van New York in 1968, gezien vanaf het Empire State Building.
De skyline van New York in 1968, gezien vanaf het Empire State Building.

In de zomer van 1969 lopen vier Joodse kinderen door Manhattans Lower East Side met al hun spaargeld in een buideltje. Daniel (11), de op een na oudste, had bij de bakker gehoord dat er een waarzegger in de stad was komen wonen, vlak bij de kleermakerij van hun vader. Een vrouw die kon voorspellen wanneer je zou sterven. Ernaartoe of niet? ‘Misschien zou er niets zijn gebeurd’, schrijft Chloe Benjamin, ‘als het niet hartje zomer was geweest, met anderhalve maand vochtig-warme verveling achter de rug en nog eens anderhalve maand te gaan.’

Maar ja, het is wel hartje zomer. Ze gaan, ze krijgen hun sterfdatum te horen. Daniel lijkt niet blij als hij naar buiten komt, Klara (9) moet zelfs huilen, Simon (7) krijgt die avond een woedeaanval. En Varya (13) wordt weliswaar 88, volgens de waarzegster – háár datum is de enige die we meteen te lezen krijgen – maar ze gelooft de vrouw niet en vond het vreselijk bij haar.

Wat zijn de voorspellingen voor de anderen? En kloppen de voorspellingen? Allemaal? En als er een klopt, of als er meer kloppen, hoe komt dat dan? Doordat de waarzegster een wel heel bijzondere gave heeft? Of omdat de kinderen voorspeld was hoe lang ze zouden leven, waarna ze die voorspelling steeds in hun achterhoofd houden, waar die werkt als een morbide soort placebo?

Nakomelingen van immigranten

Die vragen zijn gek genoeg niet eens het interessantst aan dit boek. Ze stuwen het verhaal voort, ja. Maar de premisse heeft iets kunstmatigs, een (misschien) fantasy-achtig aspect in een verder realistische roman. Gelukkig is er veel meer dat het verhaal voortstuwt, want De onsterfelijken is ook gewoon een spannende en ontroerende familieroman. Benjamin vertelt hoe het leven verloopt van het hele Joodse gezin.

De vier kinderen zijn kleinkinderen van immigranten uit Oost-Europa. De ouders wensen een beter leven voor de vier dan de onzekerheid die ze zelf hebben gekend. Maar de kinderen proberen natuurlijk zelf te ontdekken hoe ze willen leven. Zeker nu ze die deadline hebben gekregen.

Elk kind kiest zijn eigen manier. Simon stort zich volledig in de liefde, bozige Daniel kiest juist voor de strijd. Varya wijdt zich aan de wetenschap, Klara aan de magie. Zij wil illusionist worden, net als haar Hongaarse oma Klara, wier belangrijkste act eruit bestond dat ze aan een touw hing dat ze tussen haar tanden klemde. Benjamin heeft dit niet bedacht, maar gebaseerd op een act van circusartiest Tiny Kline, die echt heeft geleefd (1891-1964). Dat is zo fijn: Benjamin trekt je per kind een ander wereldje in en beschrijft dat realistisch, zodat je op plekken komt waar je anders nooit zou komen. Ze heeft zelfs research gedaan naar de Roma en hun waarzegtraditie. Dat is natuurlijk het mooie van fictie: het laat je levens (mee) leiden die je nooit echt hebt geleid.

De onsterfelijken is een boek om in te verdwijnen, al valt er best wat op aan te merken. Zijn de omstandigheden die tot Daniels dood leiden niet heel toevallig? Ligt Varya’s vakgebied (levensverlenging) er niet erg dik bovenop? En is de moraal nou dat je groots en meeslepend moet leven, dat kabbelend, tevreden niet genoeg kan zijn?

Zo lijkt het, bah. Tot Benjamin haar moraal expliciet maakt: onzekerheid geeft vrijheid! Ja, dat is mooi.