Onze onstilbare honger naar ‘dankjewel’

Waardering Als er iets is wat ons mensen aan de gang houdt, dan is het wel waardering, schrijft Marjoleine de Vos.

Illustratie Martien ter Veen

Ooit vertelde een vriendin me over de tijd dat ze haar doodzieke moeder verpleegde. De moeder woonde in een andere stad, mijn vriendin bleef daar vaak een paar dagen en was maar weinig thuis. Dat vond haar man niet zo leuk. Ze waren nog maar jong en hun huwelijk was pas begonnen.

De verzorging van moeder viel niet mee, ze was niet echt een opgewekte patiënt en commandeerde haar dochter nogal – was de keuken wel echt schoon? Had ze al boodschappen gedaan? Ze lag heel ongemakkelijk – die lakens zouden best eens gewassen kunnen worden. Nooit eens: „Dank je wel, dat je dit allemaal doet.”

Mijn vriendin vertelde het jaren en jaren later. Ik was zelf nog jong en vervuld van mooie verwachtingen omtrent mijzelf en het leven en zei dus ijverig dat ze het natuurlijk ook niet had gedaan om dankbaarheid te ontvangen. „Nou”, zei ze, „het zou wel makkelijker zijn geweest als iemand het gewaardeerd had”.

Ze vroeg zich achteraf af of ze het wel had moeten doen.

Als er iets is wat ons mensen aan de gang houdt, dan is het wel waardering. Doen wat je van jezelf moet doen is mooi, maar als niemand dat ziet, of als niemand er iets aardigs van vindt, dan valt het niet altijd mee om door te gaan. Waardering versterkt de overtuiging dat je werk zinvol is. En al neuriën we nog zo vaak de mantra dat je zelf, autonoom en authentiek als je bent, de belichaming van die overtuiging bent, en al ís dat tot op zekere hoogte ook zo, toch is het makkelijker in de zin en betekenis van wat je doet te geloven als af en toe iemand er blijk van geeft dat ze jou en je werk ziet. Wie gezien wordt, bestaat.

De laatste tijd hebben we politici heel vaak horen toeteren dat ze werk in de zorg enórm belangrijk vinden, dat ze véél waardering hebben voor alle dappere mannen en vrouwen die dat doen enzovoort, net als voor de politie, allerlei soorten hulpverlening, onderwijs – gewéldig. Bravo! Gaat u zo door!

Dat soort waardering helpt dan weer niet. Daar moet boter bij de vis, niet alleen praten maar ook tónen dat ‘wij met z’n allen’ zulk werk belangrijk vinden. Dat betekent: er meer voor betalen. Een goed salaris is een vorm van waardering.

Minder vrijwilligers door de vergoeding

Heel eenvoudig zit dat dan ook weer niet. Er komt veel kijken in de verhouding waardering-geld. „Wij zouden het énig vinden als u bij de feestelijke opening van ons nieuwe gebouw een paar gedichten wilde voordragen, uw werk sluit hélemaal aan bij onze doelstelling. Er is helaas geen budget voor, maar u krijgt een mooie bos bloemen en onze dank natuurlijk!” Dat klinkt vals.

Maar geldelijke beloning voor wie zich inzet voor een goed doel, klinkt óók vals.

Filosoof Michael Sandell, de schrijver van onder meer Niet alles is te koop, schreef eens over mensen die bloed gaven voor bloedbanken. Vrijwillig. En hoe, toen men besloot voor bloeddonatie een vergoedinkje te gaan betalen, het aantal donoren áf nam. Blijkbaar deden mensen het omdat het ze een prettig gevoel gaf om iets goeds te doen. Toen het een betaalde transactie werd, werd dat aspect, het belangrijkste, ervan afgenomen.

Ook wie als het ware ‘voor mijn plezier’ zijn of haar werk doet, zou dat waarschijnlijk niet doen als er niet voor betaald zou worden. Nog los van het feit dat het energiebedrijf ook niet voor de lol energie levert of de supermarkt uit enthousiasme gratis yoghurt verstrekt, zou je als het allemaal gratis moest, het gevoel krijgen dat je werk niet erg op prijs gesteld werd.

Als die betekenis wordt weggenomen door gebrek aan waardering, of zelfs door regelrechte afkeuring kan dat vernietigend zijn

Wellicht een onterecht gevoel, waardering zit niet per se in de beloning. Het prettige gevoel als iets goed gelukt is, als mensen blij zijn en goed reageren op wat je gedaan hebt, heeft weinig te maken met de vergoeding. Maar ik wil toch ook nog dat het iets wáárd is, dat werk van mij, dat men er iets voor over heeft.

De omgekeerde suggestie, dat het alleen maar om het geld gaat, klinkt dan weer bijna alsof je iets minderwaardigs doet. Het is een excuus dat mensen gebruiken als ze zelf vinden dat hun werk niet veel aanzien verdient: „Ik doe dat gewoon voor het geld.” Aangezien we allemaal moeten leven, is dat geen onredelijke motivatie, maar toch is het een beetje sneu want we geloven nu eenmaal, terecht of onterecht, in het belang van plezier hebben in het werk dat je doet. Sterker nog: er moet regelrechte ‘passie’ bij komen kijken en díé levert dan weer veel waardering op. Van werk dat veel geld oplevert moet iemand helemaal hartstochtelijk houden, anders verkoopt die zijn ziel, vinden we.

Uiteindelijk altijd waardering nodig

Waardering en eer zijn sterke drijfveren voor ons handelen. Die waardering kan, zie het verschijnsel van de bloeddonoren, inderdaad goed van onszelf komen. Al wordt die eigen waardering ongetwijfeld sterk beïnvloed door de wetenschap dat ook de maatschappij waarde hecht aan wat je doet, zelfs al weet ‘de maatschappij’ niet eens dat je het doet.

Het is vernederend zinloos werk te doen en dan horen: je wordt er toch voor betaald?

Onlangs publiceerde NRC een stuk over mensen die hun behoorlijk betaalde banen opzegden omdat ze iets wilden doen waar hun hart bij lag. Maar ook wie zulk werk doet, heeft waardering nodig: de timmerman die zijn eigen kast weer moet afbreken omdat de opdrachtgever die toch ergens anders wil hebben, het stuk dat ik voor niets geschreven heb omdat het themanummer al vol zit, het ontwerp voor een gebouw dat niet uitgevoerd wordt, rapporten die in een la verdwijnen – daar is betaling geen oplossing voor. Het blijft onbevredigend en meer dan dat, het is vernederend als iemand je zinloos werk laat doen en dan koeltjes tegen je zegt: „Je wordt er toch voor betaald.”

Het gaat niet alleen om gebrek aan waardering, het is alsof er ook iets van het zelfgevoel wordt aangetast. Als werk, inspanning, bedoeling zo weinig op prijs gesteld wordt, misschien niet eens gezien wordt, is de stap naar de vraag of degene die de inspanning verrichte er zelf eigenlijk wel toe doet maar heel klein. Eergevoel en zelfrespect zijn geen begrippen waar we vaak over praten maar dat wil niet zeggen dat ze niet leven. Wie zich aangetast voelt in zijn eer, wordt boos en ongelukkig.

De honger naar waardering blijkt ook uit het hartstochtelijke verlangen naar likes en volgers, het bijkleuren van het eigen leven in de hoop dat onzichtbare toeschouwers zullen juichen ‘like! like!’ Duidelijk is dat het op die manier nooit genoeg kan zijn, het zijn immers lege vormen van waardering. Ze vervullen niet, want ze belonen niet iets echts, en dus moet men heel snel op zoek naar een nog bijzonderder foto van een kat, een baby of zelfs een ei om weer een nieuw beloningsprikkeltje te krijgen.

Wat kun je als bedrijf doen om vrijwilligers binnen te halen en ze tevreden te houden? Lees ook: ‘Geef meer dan een schouderklopje’

Voor voldoening is meer nodig. Vrijwilligerswerk kan buitengemeen bevredigend zijn, als je voelt en merkt dat wat je doet betekenis heeft – omdat daarmee mensen geholpen zijn, het museum of de bibliotheek open kan blijven, iets georganiseerd wordt waarvan je ziet dat de mensen ervan genieten. Dan merk je dat het zelfgevoel ook nog door iets anders gedragen wordt, namelijk door de eigen moraal, het geloof in ‘het goede doen’ (iets wat nu vaak wordt uitgedrukt met het wel erg ambitieus klinkende ‘ik wil het verschil maken’). Bijdragen aan dat wat men goed of juist vindt, aan de vermindering van leed of de toename van betekenis – want niets is zo vreselijk als betekenisloosheid – geeft voldoening. Als die betekenis wordt weggenomen door gebrek aan waardering, of zelfs door regelrechte afkeuring kan dat vernietigend zijn. Denk aan de huisarts uit Tuitjenhorn die meende het goede te doen toen hij zijn patiënt een royale dosis morfine gaf en die vervolgens werd geschorst en vervolgd wegens moord – het tastte zijn zelfgevoel zó diep aan dat hij zelfmoord pleegde.

We hoeven niet belangeloos te leven

Er moeten vanzelfsprekend ook dingen gedaan worden waarvoor we weinig waardering krijgen. Dat is geen reden om ze niet te doen. Blijkbaar begint het te wringen als een ander misbruik maakt van de moraal die iemand zichzelf oplegt. Het feit dat mijn vriendin zelf vond dat ze voor haar moeder moest zorgen, wilde nog niet zeggen dat moeder dat ook zonder enige erkentelijkheid kon aannemen. Zelfs wie de dankbaarheid oprecht afwijst – „welnee, dat spreekt toch vanzelf” – is er nog blij mee. We hoeven niet helemaal belangeloos te leven, het is niet verkeerd om óók gemotiveerd te worden door andermans waardering. En soms gewoon door het geld.

Toch zou je jezelf hoger aanslaan als het allemaal om niet was, alleen maar om je eigen moraal hoog te houden. Als je vooral waardering gaf, in plaats van die zo graag te willen krijgen. Maar dat is misschien meer iets om naar te streven dan om alles aan af te meten.

    • Marjoleine de Vos