Wat je niet ziet in het woonblad

Nederland woont NRC vraagt lezers Nederland in beeld te brengen. Hoe wonen wij? We willen niets liever dan de buitenwereld tonen hoe onze geheime schatkamers eruit zien.

Foto Cees Beuzekom

Nederlanders hebben, zoals bekend, een afkeer van gesloten gordijnen. Het kan niet anders of wij zijn zowel exhibitionisten als voyeurs. Al is het spannender om iemand te bespieden die zich onbespied waant, en wat betekent exhibitionisme nog als iedereen eraan doet? Maar goed, als je ’s avonds nog een rondje met de hond loopt, en al die woonkamers kunt binnenkijken, wat zie je dan eigenlijk?

Albrecht Dürer heeft een gravure gemaakt die bekend is als De Heilige Hiëronymus in zijn studeervertrek. De vroegchristelijke heilige staat te schrijven aan een tafel uit 1514. Her en der liggen kussens en boeken los op houten banken, er is een stoel met rechte rug, en aan de dakbalken hangt een enorme kalebas. In zijn prachtige boekje Home, A Short History of an Idea uit 1986 gebruikt Witold Rybczynski, een Schots-Canadese architect met Poolse roots, die prent als uitgangspunt voor een verkenning van wat ‘thuis’ en ‘huiselijkheid’ betekenen.

Die losse kussens liggen daar niet zomaar, schrijft hij. Het zou nog lang duren voordat stoelen zelf zachte bekleding kregen. Een bank met een kussen was voor het gemak, maar echt zitten is werk; een stoel hoorde hard te zijn en was tot nog niet zo lang daarvoor een symbool van autoriteit. Daar hoorden die twee rechte ruggen bij van stoel en mens. Boekenkasten? Eeuwen later uitgevonden. Zittend schrijven? Nieuwlichterij. Die tafel kon trouwens eenvoudig uit elkaar worden gehaald; meubilair betekende in de eerste plaats: mobiel.

Foto Vincent van Wijk
Foto Coert Eckhardt
Foto Sacha Goossens
Foto’s Vincent van Wijk, Coert Eckhardt en Sacha Goossens

En de kalebas is weliswaar een verwijzing naar een bijbels verhaal en heeft daar misschien dus niet echt gehangen, maar ook in Dürers prent van die kamer is het doelbewust het enige decoratieve element, schrijft Rybczynski. Aan mooi deden ze in huizen toen nauwelijks, en comfortabel betekende alleen maar: warm genoeg.

Dus als je goed naar Dürers Hiëronymus kijkt, zie je niet alleen een kamer uit de zestiende eeuw, maar ook wat die kamer niet is (niet de kale burchtzaal van een aristocraat in een kasteel buiten de stad; geen huis-tevens-smidse; geen arme boerenwoning). Je ziet wat die kamer niet meer is (zoals een middeleeuws vertrek met stro op de vloer), en natuurlijk zie je ook wat dit nog niet is: een twintigste-eeuwse huis- of studeerkamer met boekenkasten en die twintigste-eeuwse definitie van comfort, met mooie dingen op tafel en aan de muur, een kookeiland, onze neiging om alles vol te stouwen met de trofeeën van ons geluk.

Door al die open gordijnen kun je dus vooral scherp zien hoe wij nu en hier denken over ‘thuis’.

Foto S. de Jong
Foto Gabrielle de Kroon
Foto’s S. de Jong en Gabrielle de Kroon

Je zou het niet zeggen als je weet hoe gretig we interieurbladen verslinden waarin geen stapel kranten, leeg glas of hondenmand in beeld is, maar intieme huiselijkheid is „een Nederlandse uitvinding”, schrijft Rybczynski. Het idee van zo’n huis – goedkope en praktische bakstenen, hout, vrij veel licht – met gescheiden ruimtes voor efficiënt werk en een slordiger familieleven kon juist in de burgerlijke, egalitaire, stadse cultuur van de Gouden Eeuw in de Lage Landen tot bloei komen. Paradoxaal genoeg blijkt het Nederland van de open gordijnen dus ook de bakermat van de privacy te zijn geweest.

Of misschien is het helemaal geen paradox, bedenk ik terwijl ik langs die verlichte ramen loop. Misschien willen we sinds Vermeers Brieflezend meisje bij het venster wel niets liever dan de buitenwereld tonen hoe onze geheime schatkamers eruit zien, zelfs als ze leeg zijn als een zenklooster. Hoe wij allemaal dezelfde, unieke gezinnen zijn, aardappels eten, sushi bestellen, pannekoeken omgooien.

Onthoud het maar goed, over honderd jaar zullen ze je dankbaar zijn.

    • Hans Steketee