Opinie

    • Frits Abrahams

Veelzijdig columnist

Hoe word je columnist bij de belangrijkste krant ter wereld, The New York Times? Het is geen vraag die mij persoonlijk kwelt, maar het lijkt me toch goed om te weten, voor het geval voor mij nog een reïncarnatie in het vat zit.

Het antwoord vond ik bij Russell Baker, een van de beroemdste Amerikaanse columnisten van de vorige eeuw. Hij overleed deze week op 93-jarige leeftijd aan de gevolgen van een val in zijn huis in Leesburg, Virginia. Baker schreef 36 jaar lang, aanvankelijk driemaal per week, een column in de NYT; hij hield er in 1998 mee op.

De eerste tijd schreef hij vooral over actuele kwesties, later verlegde hij zijn aandacht naar het leven van alledag en zijn eigen rol daarin. Hij kon humoristisch schrijven, maar ook ernstig. Dat was het grote verschil met zijn even befaamde collega van The Washington Post, Art Buchwald, die vooral met scherpe spot op de lach mikte.

Henk Hofland wijdde in 1993 in NRC Handelsblad een column aan beiden, waarin hij een voorkeur toonde voor Baker. „Baker is omzichtiger, hij heeft een suave stijl, de muziek van zijn zin vloeit, nergens een staccato, hij is voorkomend jegens de lezer, een hoffelijk auteur. Als je stijl in gestalte kon weergeven zou ik me hem voorstellen als James Stewart in de rol die hem het best ligt: een heer van Amerikaanse snit.”

Suave, hoffelijk – het is bijna alsof Hofland hier over zichzelf schrijft; ook hij hield niet van de vileine polemiek. Zelf heb ik meer van Buchwald gelezen dan van Baker, maar dat kwam ook doordat Buchwald via de International Herald Tribune in Europa gemakkelijker te lezen was. Ik hield van zijn satirische dialogen, maar Baker was gevarieerder van stijl en onderwerpkeuze.

Baker begon zijn carrière bij The Baltimore Sun als politiereporter, werd er Londens correspondent en stapte over naar de NYT waarvoor hij als correspondent in Washington werkte. Hij versloeg enkele presidentiële campagnes, maar kreeg zo’n hekel aan liegende politici dat hij een ander beroep overwoog.

Bovendien kwam hij tot het inzicht dat hij nooit een geweldige reporter zou worden. Hij was eens met James Reston, zijn collega bij de NYT, op stap toen er op straat een auto-ongeluk gebeurde. Een gewoon ongelukje, dacht hij, en liep door. Maar Reston wilde zien wat er aan de hand was, je behoorde als journalist altijd nieuwsgierig te zijn. Dat onderscheidde de geboren verslaggever van de gewone verslaggever, besefte Baker.

Hij wilde weg bij de NYT, waar ze ook moeilijk deden over zijn declaraties, kreeg een column aangeboden door de hoofdredacteur bij zijn oude krant, The Baltimore Sun, en zette met dat aanbod de hoofdredactie van de NYT onder druk. Ze wilden hem graag houden en boden hem correspondentschappen in Rome en India aan, maar hij wilde nog maar één ding: de vrijheid van een column. De leiding van de NYT ging door de knieën en bood hem een column op de opiniepagina aan. Hij liet The Baltimore Sun met een laf (zo noemde hij het zelf) telefoontje barsten en koos voor de NYT.

De journalistieke moraal: wie een gevierde columnist wil worden, moet kranten tegen elkaar kunnen uitspelen, en laf en meedogenloos willen zijn. Daarna mag hij de rest van zijn leven anderen de maat nemen. Goed geschreven, liefst.

    • Frits Abrahams