Van lang op je hoofd staan krijg je een volle neustraanbuis

Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen. Deze week: hoe heet dat vreemde gaatje in de rand van een ooglid?

Foto Wikimedia

Pas in 1998 ontdekten wetenschappers de clitoris. De verhevenheid werd ten zuiden van de Venusheuvel aangetroffen, niet ver van het vulvagebied. Een bevrijde vrouw schreef erover in de Volkskrant. We waren al op de maan geland, schreef ze, we vlogen al in Concordes, de Hubble-telescoop keek tot in de diepste diepten van het heelal, maar voor de clitoris hadden de geleerden nooit tijd gehad. Het had haar gefrappeerd.

De clitoris bleek verbonden met een orgaan dat zich uitstrekt tot voorbij het middenrif met vertakkingen door heel het lichaam. Het topje van de ijsberg, zei de bevrijde mevrouw. Maar ook: het neusje van de zalm. Ze wist er wel raad mee.

Zo ontstaan misverstanden. Want natuurlijk hadden de oude anatomen het groeisel niet gemist, er was geen vezel of vliesje dat ze ontging. Hoogstens is een enkele uitloper aan de aandacht ontsnapt. In hun atlassen lieten Gray en Netter het gevalletje duidelijk zien, en was er van ontbossing nog geen sprake.

Afgelopen week heeft ook de chef AW zich eens over zijn lichaam gebogen. Voor de aardigheid keek hij op internet of er ook namen zijn voor die vochtige, roze vliezen en plooien die je aan de neuskant van het oog in je ooghoeken aantreft. Die zijn er inderdaad, maar wat meer is: er is ook een naam voor het vreemde gaatje dat je in dezelfde hoek in de rand van elk ooglid aantreft, een beetje aan de binnenzijde daarvan. Zie de foto.

Dat gaatje heet het ‘traanpunt’, het punctum lacrimale. Het was al lang geleden opgemerkt maar altijd voor een functieloos relict gehouden. Opeens bleek dat het een hoofdrol speelt in de afvoer van het vocht dat de traanklieren aan de bovenkant van het oog produceren. Althans: dat beweerde het Wikipedia-lemma bij de foto. De traanpunten voeren de tranen af naar de neus, stond er. Het tranentransport staat onder invloed van de hydrostatische druk en een pompende werking van de oogleden, voegden andere sites eraan toe.

Hoeveel mensen zouden dat zomaar geloven? Wát voor hydrostatische druk dan wel? Wordt traanvocht dan niet afgevoerd als je op je hoofd staat? Zouden mensen wel weten hoeveel moeite het kost om water door een kleine opening te persen?

De heldere vochtfilm op het oog is niet homogeen maar bestaat uit drie lagen: slijm, water en olie

Steek eens met een speld een gaatje in de zijkant van een plastic beker en meet tot hoever je de beker met water kunt vullen voor het uit dat gaatje loopt. Je haalt makkelijk een niveau dat 3 cm boven het gaatje ligt (als het een beker van PET-plastic is, want het materiaal doet ertoe). Van AW-wege is altijd aangenomen dat traanvocht, voor zover het bij huilbuien niet pardoes over de rand van het onderste ooglid loopt, wegstroomt door een afvoerput achterin het oog en dat de net niet volmaakt bolvormig oogbol het ernaartoe pompte. Zo’n put blijkt er helemaal niet te zijn.

De handboeken leggen uit wat kennelijk de essentie is: de heldere vochtfilm op het oog is niet homogeen, maar bestaat uit drie lagen. Dicht tegen de oogbol bevindt zich een muceuze laag (een slijmlaag) die wordt geproduceerd door de binnenkant van de oogleden en door het witte oppervlak van de oogbol. Dan komt het waterige vocht van de traanklieren en daar bovenop drijft een olielaagje dat de ‘kliertjes van Meibom’ produceren. Die liggen in de oogleden en brengen hun dunne vet vlak bij de ooglidrand naar buiten.

De drie lagen hebben elk hun eigen functie, maar voor de drainage van het traanvocht is van belang dat het vocht niet lijkt op het water in de net genoemde plastic beker. Het is visceuzer (stroomt minder makkelijk) en heeft vooral een veel lagere oppervlaktespanning. Extra proefjes met de plastic beker laten zien hoeveel dat uit kan maken: zeepsop en lauwe olijfolie lopen veel eerder uit zo’n speldengaatje.

Nu is de beker met zijn gaatje bepaald geen goed model voor de oogrand, maar dat de traanpunten wérken staat vast. Als een druppel kleurstof in de neushoek van het oog wordt gebracht, is die al snel achteronderin de neus terug te vinden. Het mengsel van slijm, water en olie kan de minuscule gaatjes goed passeren.

Hoe het verdere transport in zijn werk gaat, maakt de literatuur niet helemaal duidelijk. Het blijkt, en Gray zag het al, dat van elk traanpunt een minuscuul kanaaltje loopt naar een iets wijdere structuur die een ‘traanzak’ heet en dat vandaar een ‘neustraanbuis’ naar de neus voert. De traankanaaltjes zijn zó smal dat ze waarschijnlijk altijd capillair gevuld blijven, dat is één. De overgang van de kanaaltjes naar de traanzak zit anatomisch zó in elkaar dat-ie als een klep werkt die alleen stroming in de richting van de neus toestaat. Dat is twee. Ten slotte blijken de spieren waarmee de oogleden tot knipperen worden gebracht direct of indirect ritmische druk uit te oefenen op de traanzak. Dat is de pompwerking die hierboven genoemd werd. (Sommige onderzoekers menen dat de oogleden bij het knipperen steeds de traanpunten afsluiten en dat dát het éénrichtingtransport opwekt. Het vereist een strenge synchronisatie met de pompwerking.)

Opmerkelijk: afvoer van traanvocht in de neustraanbuis vindt plaats onder invloed van de zwaartekracht. Wie lang op zijn hoofd staat komt met een volle neustraanbuis te zitten.