Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Nieuwe klok

Ik had me de halve dag met Theo Janssen in Arnhem laten interviewen over het boek dat we samen gemaakt hebben. Daarna ging ik naar Velp. Met twee ‘winterschotels’ van slagerij De Haas aan de Hoofdstraat glibberde ik naar het huis van mijn moeder. Ze maakte een ingesneeuwde indruk. De woning voelde dan wel aan als een terrarium, vanbinnen had ze het koud.

„En je moet straks ook paracetamols voor me halen, ik heb ze allemaal opgegeten.”

We prakten in onze maaltijden, de plastic bakjes waren gesmolten in haar nieuwe magnetron. Af en toe doorbrak ze het zwijgen.

Ze liet haar vork zien.

„Toch nog een stukje rookworst gevonden.”

We keken naar het NOS Journaal.

Grote ergernis dat er zo weinig aandacht was voor haar nieuws van de dag: dat sneeuw op de weg de dag erop altijd zo lelijk aanvriest.

„Ze waarschuwen wel voor de sneeuw, maar de dagen erna is het veel gevaarlijker. Je moet straks ook even de stoep sneeuwvrij maken.”

Haar gedachten gingen uit naar al die duizenden andere weduwen die niet het geluk kenden om zo’n zoon als ik te hebben.

„Wat doe je hier eigenlijk?”

Ik zei dat ik met Theo Janssen was geweest en dat we hadden moeten lachen om een fotograaf die zich er niet bij neer kon leggen dat we zijn creatieve foto-idee hadden afwezen.

„Hij wilde dat ik voor Theo zou knielen en dat ik dan zijn hand zou kussen. Vanwege de boektitel, vanwege de term ‘de dikke prins’.”

Ze begreep er niets van, maar het woord ‘boek’ was wel gevallen. Ze legde mes en vork naast haar bord en zei: „En nou hoor ik bij Jansen & De Feijter in de Emmastraat dat Jan Siebelink een boek over me gaat schrijven. ‘Moeder de vrouw’. Waarom doe je dat zelf niet?”

Ik moet haar verbaasd hebben aangekeken, we hebben in deze familie allemaal de neiging om te veel op onszelf te betrekken, maar hier trok ze een hele Boekenweek naar zich toe.

„Geen zin”, zei ik. „Ik dacht laat iemand anders het maar eens doen.”

Ze maakte een wegwerpgebaar. „Belachelijk!”

Er kwam een ‘klik’ uit de enorme klok op het dressoir, die niet alleen de tijd aangaf, maar ook welke dag en welk jaar het is.

„Van je broer gekregen”, zei ze. „Kijk, vandaag is het woensdag. Je moet eigenlijk morgen bij het ontbijt weer even kijken. Dan is het donderdag.” Toen ik dat de volgende ochtend braaf constateerde, zei ze, op een toon alsof we er een meningsverschil over hadden: „Ik zei het je toch.”

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.

    • Marcel van Roosmalen