Recensie

Recensie

Munch was een mensenvoeler

Edvard Munch Het boek van Knausgård

over Munchs schilderijen leest als een gedachtestroom, net als zijn autofictie.

De eik (1906) van Edvard Munch.
De eik (1906) van Edvard Munch.

Een paar jaar geleden merkte schrijver Karl Ove Knausgård in de Paris Review op dat gevoeligheid een vloek is in het dagelijks leven, maar een zegen voor een schrijver. Hij had het over zichzelf, maar het geldt evengoed voor zijn landgenoot en kunstschilder Edvard Munch (1863-1944), over wie Knausgård een boek schreef. Niet voor niets werd Zoveel verlangen op zo’n klein oppervlak in Nederland aangekondigd met de ironische woorden: ‘Opgelet: twee depressies voor de prijs van één!’

Zwaarmoedig of niet, de schilder en de schrijver hebben eerst en vooral een in het oog springende artistieke band. Munch nam zijn bestaan en zielenroerselen op een nietsontziende manier als uitgangspunt voor zijn werk. Hetzelfde deed Knausgård in zijn autofictionele boeken. Leven en kunst in een gordiaanse knoop.

Kunsthistorica Mariëtte Haveman opperde in Kunstschrift eens het treffende beeld van Munchs oeuvre als planeet met een kleine, harde kern en een dikke dampkring. Die harde kern wordt volgens haar gevormd door de werken waar hij beroemd mee werd en die tot stand kwamen tussen 1890 en 1910, zoals De schreeuw (1893) en Melancholie (1891).

Om te tonen hoe veel meer Munchs oeuvre omvat, cureerde Knausgård in 2017 een tentoonstelling waarbij hij koos voor het onbekendere werk. Ook in Zoveel verlangen op zo’n klein oppervlak toont hij de schoonheid en relevantie daarvan overtuigend aan. Het boek is een lang essay in drie delen. Nu eens staat Knausgård op minutieuze wijze stil bij een doek en ontleedt hij het uitvoerig, dan weer verhaalt hij over het weerbarstige leven van Munch.

Knausgård zwicht niet voor de verleiding het werk een-op-een autobiografisch te duiden, maar schuwt er ook niet voor werk en leven met elkaar te verbinden, met de woorden: ‘De iconische ‘Munch’ haalt al snel zijn leven uit zijn schilderijen, de biografische ‘Munch’ haalt al snel zijn schilderijen uit zijn leven.’

Melancholie

Knausgård legt in het boek ook boeiende verbanden met het werk van andere kunstenaars: hij beziet Munch in relatie tot tijdgenoten als Vincent van Gogh en Knut Hamsun. En doet als reporter verslag van gesprekken die hij over Munch voerde met hedendaagse kunstenaars als Anselm Kiefer, David Hockney en regisseur Joachim Trier over Munchs Nachleben. Bovendien betwist hij als volleerd kunsthistoricus op een overtuigende manier gemeenplaatsen waar het Munch en zijn kunst betreft.

Soms draaft Knausgård een beetje door en lijkt hij onwaarschijnlijk goed op de hoogte van de intenties van Munch: ‘Wat hij wilde, was niet het levende schilderen, maar het geschilderde tot leven wekken.’ Maar met de scherpzinnigheid en het enthousiasme dat Knausgård aan de dag legt is hem dat gauw vergeven.

Zoveel verlangen heeft het karakter van een zoektocht en leest als een gedachtestroom, waarin Knausgård met zijn eigenzinnige blik en aanpak een ander licht werpt op de wegbereider van het expressionisme. Het meest treffend zijn daarbij Knausgårds mijmeringen over het wezen van de kunst, die volgens hem gaat over de poging ‘het ware’ uit te drukken. Munch zei niet te willen schilderen wat hij zag, maar wat hij gezien hád. Werkend op basis van een herinnering, een emotie. Knausgård duidt Munch dan ook treffend aan als ‘mensenvoeler’; een mensenkenner kon hij niet zijn, daarvoor was hij te veel met zichzelf bezig, aldus de schrijver. Munchs schilderijen communiceren zo direct, zo overtuigend, dat bij het zien je het gevoel bekruipt: ja zo is het, dit is wanhoop, dit is melancholie, kortom: zó is het precies. En toch blijft ook onzegbaar waarom iets als Munchs eikenboom nou zo goed geschilderd is. De door Knausgård aangehaalde Olav H. Hauge dicht daarover: ‘Velen voor hem hadden een eik geschilderd. Toch schilderde Munch een eik.’