Recensie

Recensie Boeken

In de droom komt opa weer tot leven

KinderliteratuurJe geeft je nog niet meteen gewonnen voor ‘Droomopa’, het nieuwe kinderboek van de 90-jarige Dolf Verroen. Maar de apotheose, waarin droom en herinnering samensmelten, tilt het hele verhaal op, met terugwerkende kracht.

Net als de jonge Thomas, bijna tien, bij zijn grootouders logeert, gaat zijn opa dood. ‘Zomaar’, zegt oma. ‘Hij porde me wakker, keek me aan en was dood.’ Kennelijk is zij eerder beduusd dan aangedaan, maar dát schrijft Dolf Verroen niet. Dat maken we eruit op.

Grote gebeurtenissen, kleine momenten, koele zinnetjes – daarop legt kinderboekenschrijver Verroen (1928) zich de laatste jaren toe. Dat leidde tot zijn daverende racismefabel Hoe mooi wit ik ben, het prachtige Kinderboekenweekgeschenk Oorlog en vriendschap (2016), op basis van herinneringen van de schrijver, en nu toont Verroen zijn voortdurende kwaliteit in een kleinood over rouw.

Terwijl oma met de buurvrouw staat te praten, glipt Thomas naar de slaapkamer, waar opa nog nauwelijks afgekoeld is. Maar: ‘Ik weet opeens wat ik echt zie: hij droomt niet meer.’

Dromen spelen een belangrijke rol in Droomopa – dáár is het dat opa, of in elk geval de herinnering aan hem, tot leven komt. Als hij zijn dromen navertelde, leerde je hem kennen, als een levendige en onbesuisde vrijdenker. ‘Dromen hebben een betekenis. Altijd’, prentte hij Thomas in – ook na zijn dood dus nog. De tekeningen van Charlotte Dematons onderstrepen het belang van de dromen. Op de bladzijden van alledag zijn Dematons’ beelden overwegend rouw-grauw, met realistische, gedetailleerde interieurs en telkens een strakke inkadering. Wanneer ze dromen tekent, zijn de pagina’s kleurrijk en woest gevuld – de contouren vervagen en de kleuren dansen. Die tekeningen léven.

Allah

Toch maken die dromen, en hun betekenis, ook dat Droomopa niet meteen overtuigt. Aanvankelijk is het contrast tussen de twee verhaallijnen, droom en alledag, groot zonder dat duidelijk is waarom, en komt de inhoud van opa’s dromen wat arbitrair over.

De dromen, kun je uiteindelijk concluderen, werken vooral op een gezamenlijk, abstract niveau naar de apotheose toe, waar ze een punt maken over rouw. Dat punt ontvouwt zich pas helemaal aan het slot, nadat Thomas heeft geprobeerd te dromen over opa, daar niet in slaagde en in paniek dacht alle herinneringen kwijt te zijn. (‘Het is verschrikkelijk’, schrijft Verroen, wat in die context koel overkomt, wonderlijk genoeg.)

Het valt mee voor Thomas: op de laatste bladzijde smelten droom en herinnering samen. Daarmee lijkt het verhaal te vertellen dat je ware, waardevolle herinneringen in de verbeelding kunt vinden, ook al zijn dromen dan niet ‘echt’. Op de valreep komt Verroen zo met een even troostrijke als dubbelzinnige gedachte – die ook nog de vermogens van fictie en verbeelding aansnijdt. Dat verklaart ook dat de eerst nog wat redundant aanvoelende verhaallijn met God en Allah ter zake doet. Zo tilt het slot het hele verhaal op, met terugwerkende kracht: klein moment, grote gebeurtenis.