Opinie

Wat deed J.D. Salinger op 26-jarige leeftijd?

Column Hoe kom ik aan de kennis over iemand van wie we amper iets weten, vraagt Michel Krielaars zich af.

Michel Krielaars

Iedereen kent de 17-jarige Holden Caulfield, maar niemand weet wat zijn schepper, Jerry David Salinger, precies deed toen hij op 26-jarige leeftijd voor de contraspionagedienst van het Amerikaanse leger bij de denazificering van Duitsland betrokken was. In ieder geval zeulde hij toen al rond met delen van het manuscript van The Catcher in the Rye, dat hem in 1951 beroemd zou maken en waarvan er 65 miljoen exemplaren werden verkocht. Dat succes kon hij toen nog niet vermoeden, maar dat hij schrijver zou worden, wist hij al op zijn zesde. Zijn vader lachte hem erom uit, wat Salingers schrijversambities (en het Oidipuscomplex, waar menig schrijver kracht uit put) zal hebben aangemoedigd.

Hoe kom ik aan die kennis over iemand van wie we amper iets weten? Uit Gunzenhausen. Het parallelle leven van J.D. Salinger door hemzelf verteld, het nieuwe boek van Piet de Moor. Het is een mengeling van een biografie, een mystificatie en een roman, waarmee blanco episodes uit het ongrijpbare leven van Salinger (1919-2010) worden ingekleurd en, op zijn Salingers, nieuwe mysteries worden opgeworpen.

Gunzenhausen speelt zich af tegen de achtergrond van de Amerikaanse bezetting van het Duitsland van Stunde Null. Nadat Salinger op D-Day 1944 in Normandië de wal op is gekropen en in het Ardennenoffensief gaat vechten (waarbij hij zijn neus brak door iets te enthousiast in een schuttersput te springen), wordt hij in mei 1945 in het Zuid-Duitse stadje Gunzenhausen gelegerd. Hij woont er in bij een vriendelijke dame, die haar boekenkast vol nazi-lectuur heeft staan.

Zelf heeft hij slechts The Razor’s Edge van W. Somerset Maugham in zijn ransel: over een Amerikaanse piloot die in de Eerste Wereldoorlog is getraumatiseerd en op zoek gaat naar een zinvol bestaan. Zie daar de geboorte van Holden Caulfield, maar ook van de man die zich in zijn verhaal ‘A perfect day for bananafish’ voor zijn kop schiet.

In Gunzenhausen treft Salinger alleen maar Muss-nazi’s op zijn pad, die hun vroegere fanatisme ontkennen. Opvallend is ook dat hij er, in De Moors werkelijkheid althans, menige (latere) beroemdheid tegenkomt, zoals de schrijver Stefan Heym, die voor Hitler naar de VS was gevlucht en in GI-uniform naar zijn geboorteland terugkeerde, de apolitieke Erich Kästner en de essayist Victor Klemperer, die dertig jaar na zijn dood furore zou maken met zijn dagboeken over zijn leven als Jood onder het naziregime.

En dan vult De Moor ook nog Salingers herinneringen in aan zijn vroegere geliefde Oona O’Neill, die gekaapt zou worden door de veel oudere Charles Chaplin. Salinger haat de komiek, ook omdat hij zelf bij Oona seksueel in gebreke bleef. Die impotentie blijkt een drijfveer voor zijn schrijfdrang te zijn geweest. Wanneer hij in Gunzenhausen een verhouding krijgt met een Duitse vrouw, met wie hij wél fysiek genot beleeft, heeft dat een prijs, zoals de Moor hem laat denken: ‘Vanaf het moment dat ik met haar sliep, hield het typen voor negen maanden op, een voldragen zwangerschap van artistieke leegte.’

In het laatste hoofdstuk komt de oude Salinger aan het woord, vlak voor zijn dood in 2010. Genadeloos maakt hij de balans van zijn leven op. Maar ondanks zijn cynisme is hij ook trots, want hij meent dat zonder zijn boeken Nabokovs Lolita, Philip Roths Portnoy’s Complaint en Saul Bellows Herzog wel nooit geschreven zouden zijn.