Recensie

De Nederlandse bourgeoisie sidderde voor een mogelijke revolutie van Troelstra

P.J. Troelstra Zijn revolutie was mislukt, maar zorgde er niettemin voor dat de regenteske politieke klasse een verzorgingsstaat opbouwde uit angst voor een echte revolutie.

12 november 1918: Pieter Jelles Troelstra spreekt het volk toe in Den Haag
12 november 1918: Pieter Jelles Troelstra spreekt het volk toe in Den Haag Foto J. van Rhijn

Wat bezielde de sociaal-democratische voorman Pieter Jelles Troelstra toch om in november 1918 de arbeidersrevolutie uit te roepen in Nederland? Was het door muitende Duitse matrozen en het verdrijven van keizer Wilhelm II gedreven overmoed? Liet hij zich meeslepen door emoties, zoals hij later zelf verklaarde? Of dacht Troelstra (1860-1930) écht dat de bourgeoisie op instorten stond en het socialisme gloorde? Zeker is dit: zijn oproep tot opstand is de geschiedenis ingegaan als een vergissing. De revolutie kwam er niet en honderd jaar later wappert in dit land nog steeds een oranje vlag, en geen rode. Desondanks was Nederland na de roerige dagen in november 1918 wel degelijk veranderd, schrijft Rob Hartmans in De revolutie die niet doorging, over Troelstra’s ‘tragedie’.

Hartmans duidt terecht de internationale context van najaar 1918. In Duitsland werd de keizer verdreven, nam een sociaaldemocraat het kanselierschap op zich en riepen Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht de revolutie uit, tot onvrede van de sociaaldemocraten die via parlementaire weg het socialisme wilden bereiken.

Aan de hand van indrukwekkend bronnenonderzoek laat Hartmans zien wat er daarna gebeurde. Nogal wat socialisten dachten dat nú het moment was aangebroken dat Marx had voorspeld: de onvermijdelijke val van het kapitalisme en de vanzelfsprekende opkomst van het socialisme. Toch worstelden ook nogal wat SDAP’ers, de sociaaldemocratische voorloper van de PvdA, met de vraag of nu hét moment was, en als dat dan zo was, of de revolutie ook daadwerkelijk uitgeroepen moest worden. Ze besloten er een congres over te organiseren eind november.

Extra beveiliging

In de week daarvoor, half november, volgden de gebeurtenissen zich snel op. Eerst de val van de Duitse keizer. Daarna een politiek program van de sociaaldemocraten, en op 11 november een oproep van Troelstra aan de arbeidersklasse zich klaar te maken voor de machtsovername. Op de 12de een urenlange speech van Troelstra in de Tweede Kamer, waarin dit ‘historische ogenblik’ werd geduid. ’s Nachts werden pamfletten opgehangen door de regering dat ‘het gezag en de orde’ gehandhaafd zullen worden. En toen niets. Geen revolutie, geen machtsovername. Arbeiders bleken zich vooral monarchist of katholiek te voelen, geen proletariër die de macht wilde overnemen. Op hun klassenbewustzijn kon niet gerekend worden. Troelstra’s oproep werkte mobiliserend, maar niet zoals gehoopt: de steun voor de Oranjes werd juist groots uitgesproken. In Den Haag werd de koets van de monarch door een jubelende menigte door de straten getrokken.

Toch sidderde de Nederlandse bourgeoisie wel degelijk voor een mogelijke revolutie, laat Hartmans zien. Duizenden militairen werden opgetrommeld om een mogelijke opstand neer te slaan, langs de Maas stond de artillerie klaar. De Nederlandsche Bank werd extra beveiligd, net als de ministeries in Den Haag. Minister Aalberse schreef in zijn dagboek dat ‘we rekening moesten houden met ’t mogelijk optreden van een soldatenraad, die de ministeries zou overrompelen en ons gevangen nemen.’

Als de SDAP een paar dagen later congresseert in Rotterdam, staan er dan ook vijfduizend militairen klaar om in te grijpen. Maar de geest is terug in de fles. Troelstra wordt met applaus onthaald, maar geeft toe ‘de machtsverhoudingen niet geheel juist gezien’ te hebben. In de Tweede Kamer ontkent hij het over een ‘staatsgreep’ te hebben gehad. ‘De revolutiebui was overgedreven’, schrijft Hartmans dan ook. Troelstra zou nog zeven jaar fractieleider in de Tweede Kamer blijven, maar zijn rol was politiek uitgespeeld – net als die van de SDAP. Hij was te emotioneel geweest, zou Troelstra later volhouden.

Relletjes

Troelstra’s tragiek is niet alleen zijn overschatting van het revolutionair potentieel in Nederland, maar ook zijn onderschatting van het burgerlijke, regenteske, conservatieve karakter van de Nederlandse politiek. Het is er een van tamelijke afzijdigheid: we houden het op eens in de vier jaar stemmen, op straat zie je ons amper. Zulke duiding over wat de ‘vergissing’ zegt over de Nederlandse cultuur had in Hartmans’ boek wellicht ook een plaats moeten vinden.

Lees ook: 80 boeken om deze winter cadeau te geven

Revoluties worden hier voorkomen door een goede nachtrust van de koning, zoals in 1848 – toen de conservatieve Willem II relletjes in Amsterdam en Den Haag en revoluties in Duitsland en Frankrijk indachtig, de liberaal Thorbecke vroeg een nieuwe grondwet te schrijven. Universiteiten bezetten we een jaar ná mei ’68. Maar toch: door de angst voor opstanden verandert er wel steeds wat. Uitdagers worden het systeem ‘binnengehaald’. Misschien niet qua mankracht – de SDAP werd zo’n twintig jaar buiten de macht gehouden, alleen bij een ‘uiterste noodzaak’ kon er met ze geregeerd worden – wel qua ideeën: er kwam meer sociale wetgeving en ook vrouwen mochten voortaan stemmen.

De arbeidersrevolutie kwam er niet, maar na Troelstra werd mede uit angst voor revolutie wél een verzorgingsstaat opgebouwd waarin arbeiders het beter kregen dan ooit. Misschien niet wat een revolutionair wil. Maar voor een sociaaldemocraat toch ook zeker niet slecht.

    • Mark Lievisse Adriaanse