Recensie

Recensie Boeken

De roddels zoemen in plat Vlaams

Lara Taveirne Een jonge vrouw gaat werken op de kwekerij van haar vader, tussen het arme volk – in potentie een coming of age-verhaal vermengd met sociaal drama. Maar de Vlaamse Lara Taveirne, bekroond met haar debuut, weet in haar derde roman niet goed maat te houden.

Als genres elkaar ontmoeten, kunnen mooie kruisbestuivingen ontstaan. Zo heeft Kerkhofblommenstraat, de derde roman van Lara Taveirne, de potentie een interessant experiment te zijn, een meerstemmig volksverhaal rond de overschrijding van de grens tussen rijk en arm.

De roman van Taveirne (1983), die met haar debuut De kinderen van Calais (2014) de Vlaamse Debuutprijs won, vertelt het verhaal van Arabella, de puberdochter van een chrysantenkweker. Op een dag besluit zij, verveeld en licht nieuwsgierig, op de velden van haar ouders te gaan werken. Daar belandt ze in een zoemen van roddels, opgetekend in een plat Vlaams van nonkels en kriekentaarten. ‘Dat is hier duidelijk eentje dat nog nooit stro van de aarde heeft geraapt’, lacht een van de werksters als Arabella een kruiwagen verkeerd inlaadt. De klassieke tweedeling is geschetst: het chique volk versus de vrouwen die van aanpakken weten. Toch wordt Arabella, ondanks haar zachte handen en positie als dochter-van, al snel een van hen. Zo wordt ze ook getuige van spanningen over de heerschappij van haar vader.

Het koor van kweeksters gonst als in een Griekse tragedie, waarin vaker zo’n gezamenlijke stem de gebeurtenissen becommentarieert. In Kerkhofblommenstraat speelt dat gezoem de hoofdrol: via het gesmiespel van de landwerksters vallen we in intrige na intrige, met door vader bepotelde werksters, een verzwegen zwangerschap en bijbehorende zoektocht naar de identiteit van de verwekker. Tegen die turbulente achtergrond beleeft Arabella haar coming of age: ze krijgt borsten en zwijmelt weg bij haar eerste verliefdheid. Tijdens deze verwarring voorzien de chrysantenvrouwen haar van raad.

Pubermijmeringen

Helaas volgt Taveirne bij haar beschrijvingen van Arabella’s opgroeien al te veel de gebaande paden. Bovendien lijkt de schrijfster op het einde haar verhaal maar al te graag te willen afronden, waardoor zowel het verhaal als het woordgebruik afgeraffeld aandoet. Hierdoor wordt de plot die zo zorgvuldig leek opgebouwd onevenwichtig, en kun je je afvragen hoe uit haar pen ook poëtische zinnen konden komen als: ‘Welke soorten van verdriet had hij in de lades van zijn mannenlijf zitten’.

Bovendien was het verhaal gebaat geweest bij een wat levendiger schets van de bloemenomgeving: nu ging al Taveirnes energie zitten in het tonen hoe de dames Arabella opnemen in hun wereld van hard werken, knoestige handen en krijsende kinderen. Juist het contrast tussen het bloemenveld en het naastgelegen kerkhof, dat door de kwekerij van rouwboeketten wordt voorzien, had interessante spanning kunnen opleveren. Nu valt Kerkhofblommenstaat tussen wal en schip, soms voldoend aan de hoge verwachtingen die je krijgt uit aanbevelingen van Peter Verhelst en Tom Lanoye, dan weer ronddwalend in clichématige pubermijmeringen.

De schrijfster koos voor een motto uit Guido Gezelles bundel Kerkhofblommen uit 1858. Niet gek: ook Gezelle deed in zijn gedichten verslag van oude volkstradities, het plattelandsleven en de dood. Zo’n klassieker zal Taveirnes roman niet worden: daarvoor is Kerkhofblommenstraat, ondanks een gedurfd uitgangspunt, in vorm en inhoud te onevenwichtig.