Opinie

De opmars van deze eurosceptici

In Europa

Aan de voet van de Apennijnen, ten oosten van Rome, wordt de ultraconservatieve Europese revolutie voorbereid. Althans, zo heeft Benjamin Harnwell het in zijn hoofd.

Anderhalf jaar geleden trok deze gesjeesde Britse chemiestudent in een leegstaand klooster, Trisulti, in 1204 gebouwd door Karthuizers die medicijnen en likeur maakten van wortel- en kruidenextracten. Nu zijn de monniken weg. En Harnwell, midden veertig, heeft een huurcontract voor negentien jaar afgesloten, namens zijn ultraconservatieve Dignitatis Humanae Institute. Hij wil Trisulti verbouwen om er het „spirituele thuis van het Bannonisme” van te maken.

Jaarlijks moeten hier maximaal 350 studenten geschoold worden in filosofie, economie, geschiedenis en theologie. Harnwell, een recente bekeerling tot het katholicisme die vindt dat wetenschap politiek gemanipuleerd is, is een bewonderaar van Steve Bannon. De oud-spindoctor van Donald Trump wil nu in Brussel nationalistische, ultraconservatieve partijen voorgaan in een pan-Europese politieke beweging, ‘The Movement’. Zijn Britse volgeling en lookalike stort zich op de intellectuele kant van de strijd tegen radicaal secularisme, de geglobaliseerde elite, migratie uit Afrika en de islamisering van het Westen.

„Wij zitten in een cultuuroorlog”, zei Harnwell deze week in de Neue Zürcher Zeitung. „Enerzijds is er het christelijk-joodse beginsel dat de mens geschapen is naar het voorbeeld van God, anderzijds Darwins monsterlijke evolutietheorie.”

Of een Amerikaan en zijn Britse volgeling erin slagen Europa om te ploegen tot aartsconservatief, religieus bolwerk, valt te bezien. Aan hun overtuiging en doorzettingsvermogen zal het niet liggen. Het is dezelfde vastberadenheid die hun aartsvijand, het ultraconservatieve islamisme, aan de dag legt in zíjn strijd tegen atheïsten en wereldse elites. Het Karthuizer klooster in Trisulti is de ‘madrassa’ van de neoconservatieve, eurosceptische revolutie in Europa.

De opmars van de eurosceptici weerspiegelt ons eigen onvermogen. We klagen dat ze Europese instituties met negatieve campagnes kapotmaken, Europese regels en afspraken ondergraven, en burgers vertellen dat de Europese integratie niets dan crisis en onheil heeft gebracht. Wat stellen we er voor argumenten en verhalen tegenover? Verdomd weinig. Zelfs mensen die er tegenin wíllen gaan, weten vaak niet hoe. Geen wonder: op veel Europese scholen leer je niets over contemporaine Europese geschiedenis. Volgens de jongste Eurobarometer vindt 67 procent dat zijn land profiteert van de EU – de hoogste score sinds 1983 – en 74 procent steunt de euro. Vraag diezelfde mensen wat het verschil is tussen de Europese Raad en de Europese Commissie, en het merendeel weet het antwoord niet.

In El País schreef Miguel Otero Iglesias van denktank Elcano onlangs dat het altijd lijkt alsof het extreem slecht gaat met Europa. We rollen van de bankencrisis in de eurocrisis, en dan rechtdoor de migratiecrisis in. Maar, schrijft hij, dat is altijd zo geweest. In de jaren 50 flopte de Europese Defensiegemeenschap. In de jaren 60 boycotten de Fransen vergaderingen in Brussel. In de jaren 70 sneuvelde het Wernerplan. In de jaren 80 sloeg Thatcher zich met haar handtasje een weg naar het Britse rebate. Enzovoort.

Als de ene crisis is opgelost, komt de volgende. Dat is Europa. Vroeger losten we het met oorlog op, nu door net zo lang te onderhandelen tot er een compromis ligt. Dat er altijd ruzie en verdeeldheid is, komt doordat elk land andere belangen, taboes, tradities en wensen heeft. Dat clasht – en blijft altijd clashen. Dat is geen argument tegen de EU. Het bewijst juist dat we de EU, hoe onvolmaakt ook, nog altijd nodig hebben. Als we geen mechanisme zouden hebben dat helpt compromissen te vinden, zouden we elkaar naar de strot vliegen.

Jammer eigenlijk dat dáár niemand madrassa’s voor opricht. Madrassa’s voor Europakunde.

Caroline de Gruyter schrijft wekelijks over politiek en Europa.