Opinie

    • Marike Stellinga

De industrie en het klimaat

Hoe moeten we nou denken over de industrie in het klimaatbeleid? De discussie wordt scherper. Jesse Klaver van GroenLinks stelde deze week een hoge heffing op de uitstoot van CO2 door de industrie voor. Tot woede van Hans de Boer. Volgens de voorman van bedrijvenclub VNO-NCW zorgt Klaver voor 50.000 klimaatwerklozen én verspreidt hij fake news. Om met de deze week overleden econoom Koos Andriessen te spreken: tut, tut, ho, ho. Overdrijvingen helpen niet per se bij de vraag: hoe te denken?

Voor economen is de zaak kraakhelder: in een ideale wereld belast je het gebruik van fossiele brandstoffen of de uitstoot van CO2 in het productieproces. Niet om de industrie te straffen, maar om het aantrekkelijk te maken schoner te produceren. Nu is vuil produceren vaak goedkoper dan schoon. Precies hierom pleiten ook bedrijven als Shell en DSM voor een internationale verhoging van de prijs op CO2.

De wereld is niet ideaal. Het is moeilijk om met andere landen zo’n hogere heffing af te spreken. De Europese Unie heeft wel zo’n CO2-prijs opgelegd via het ETS-systeem maar die mag hoger volgens velen. Een land dat het eenzijdig doet, loopt het risico in eigen land de uitstoot te verlagen maar elders te verhogen. Omdat de productie verhuist, of omdat goedkopere, vuile producten worden geïmporteerd. Over hoe groot dat risico is, verschillen de meningen. Onderzoeken tot nu toe laten zien dat het voor Nederland kan meevallen, omdat grootverbruikers van energie hier weinig betalen. Bovendien kan een heffing worden verzacht met subsidies.

De kwestie die voorligt: is wat in het Klimaatakkoord met de Nederlandse industrie is bedacht een goed alternatief voor een heffing? Mijn eerlijke antwoord: ik weet het niet. De tekst over de industrie laat veel ruimte voor interpretatie. En er staan zinnen in die argwaan wekken.

In het Klimaatakkoord lijkt te staan dat industriebedrijven zich vastleggen op een CO2-norm. Bedrijven moeten afspreken hoe snel ze hun uitstoot verminderen. De overheid controleert en bedrijven krijgen een boete als ze het niet halen. In theorie kan een norm harder zijn dan een heffing. Immers, bij een heffing is het afwachten hoeveel de uitstoot daalt.

Dan de argwaan. De duivel zit in de details: hoe hard is de norm? Is die goed te controleren? Zijn er ontsnapluikjes? En is de boete hoog genoeg? Over die boete kom ik in de tekst gekkigheden tegen. Bijvoorbeeld: de boete kan nul euro bedragen als de prijs van CO2 in het ETS-systeem hoger ligt. Manon Janssen, voorzitter van de Industrietafel, bevestigde dat aan mij. Maar, zegt zij, dan moet de boete omhoog, want het moet wel een echte boete zijn. Tja, waarom staat er dan wat anders? Ook staat er iets geks over dat bedrijven de boete nog twee jaar zelf kunnen „inzetten”. Dat klinkt wel erg zacht.

Mijn grootste vraag is waarom bedrijven dit bureaucratische systeem liever willen dan een heffing die ze vrijer laat. Opmerkelijk genoeg lijken niet alle bedrijven hetzelfde te willen. Shell-topvrouw Marjan van Loon zei laatst op Radio 1 dat een Nederlandse heffing best bespreekbaar is. Want: „Het marktmechanisme is een iets elegantere manier dan het plannenmechanisme dat we nu hebben.” Om een heffing echt te kunnen vergelijken met het Klimaatakkoord moeten we dus sowieso wachten op de doorrekeningen van het Centraal Planbureau en het Planbureau voor de Leefomgeving. Helaas diende het kabinet een heffing niet als alternatief in voor doorrekening. Gelukkig deden de PvdA en GroenLinks dat wel.

Marike Stellinga is econoom en politiek verslaggever. Ze schrijft elke week op deze plek over politiek en economie.
    • Marike Stellinga