Carlsen als iconoclast

In de negende ronde van het Tata Steel toernooi had Magnus Carlsen zwart tegen de Amerikaan Samuel Shankland. Het begon zo: 1. d4 d5 2. c4 e6 3. Pc3 a6. Een beetje een raar zetje, dat 3...a6 van Carlsen. Ik was die dag commentator in Wijk aan Zee en vertelde dat de grote Akiba Rubinstein dat een paar keer had gespeeld tegen Aljechin en dat Aljechin zich in een van zijn prachtboeken laatdunkend had uitgelaten over die zet, maar dat de tijden veranderd waren en dat je a7-a6 tegenwoordig in allerlei varianten van het damegambiet ziet opduiken.

Goed, maar er volgde 4. cxd5 exd5 5. Pf3 h6. Hiermee leek Carlsen alle wetten van een gezond openingsspel te tarten. Eerst a6 en dan h6, zo mag je toch niet schaken? Moeten er geen stukken ontwikkeld worden?

Als een coach een partij van een anonieme leerling onder ogen kreeg waarin dit gespeeld werd, zou hij zeggen dat er voor deze leerling geen toekomst in het schaken is. Zoals Botwinnik een keer gezegd schijnt te hebben over de latere wereldkampioen Anatoli Karpov.

Een paar zetten later had Carlsen na zijn twee rare zetjes toch een heel acceptabele stelling. Ik moest denken aan het gedicht van Riekus Waskowsky: Dichten is net als koken:/je pleurt maar wat in de pan/als je koken kan. Met schaken is het kennelijk net zo, als je Magnus Carlsen bent.

Een dag eerder had hij tegen Richard Rapport een partij gewonnen die door alle commentatoren als een strategisch meesterstukje werd beschouwd. Carlsen zelf was er minder van onder de indruk en zei dat de partij zich vrijwel vanzelf had gespeeld. Ja, voor hem wel.

Drie ronden voor het eind stond Carlsen alleen bovenaan. ‘Een spel met 32 stukken en aan het eind wint Magnus Carlsen’, die aan het voetbal ontleende spreuk gaat niet altijd op, maar wel vaak.

Magnus Carlsen - Richard Rapport, Tata Steel Wijk aan Zee 2019

1. e4 c5 2. Pf3 e6 3. d4 cxd4 4. Pxd4 Pc6 5. Pc3 Dc7 6. g3 a6 7. Lg2 Pf6 8. 0-0 d6 9. Pxc6 bxc6 10. Pa4 Tb8 11. c4 c5 12. b3 Le7 13. Lb2 0-0 14. De1 Een nieuwe, veelzijdige zet. Wit dreigt met 15. e5 zwarts pionnenstelling te versnipperen. 14...Pd7 Na 14...Ld7 wilde Carlsen waarschijnlijk met 15. e5 Lxa4 16. exf6 gxf6 een pion offeren. 15. Td1 Lb7 16. Dc3 Lf6 17. Dd2 Le7 18. Dc3 Lf6 19. Dd2 Le7 20. f4 e5 21. Lc3 Lc6 22. La5 Db7 23. Pc3 exf4 Zwart kan niets nuttigs doen en zoekt toch activiteit. 24. gxf4 Tfe8 25. e5 Lxg2 26. Dxg2 dxe5 27. Pd5 e4 Na 27...exf4 kan wit, als hij niets beters vindt, met 28. Lc7 een kwaliteit winnen. 28. Lc3 f6 29. Kh1 Kh8 30. Tg1 Lf8 31. Pe3 Veel sterker dan 31. Pxf6, waarmee hij zijn pion zou terugwinnen. 31...Dc6 32. Td5 Via rangeerterrein d5 brengt wit alle stukken in de aanval. 32...De6 33. Th5 Df7 34. Dh3 g6 Iets hardnekkiger was 34...h6, maar na 35. Pf5 Kh7 36. Th4 gevolgd door 37. Thg4 is zwart toch verloren. 35. Th4 Tb6 36. f5 Pe5 Omdat 36...g5 wegens 37. Txg5 niet gaat. 37. Pd5 Td6 38. fxg6 Pxg6

Zie diagram

39. Lxf6+ Een aardige slotcombinatie. 39...Txf6 40. Txh7+ Zwart gaf op wegens 40...Dxh7 41. Dxh7+ Kxh7 42. Pxf6+ gevolgd door 43. Pxe8.