Recensie

Recensie Boeken

Journalisten die vooral geïnteresseerd zijn in zichzelf

Essayistiek Schrijvers Joost de Vries en Nina Polak stelden een bloemlezing van essays samen van 2001 tot nu. Het Nederlandse essay, zo blijkt, mag een ‘vrij genre’ heten, het is vrijheid binnen de bubbel.

De verwoeste Twin Towers in New York, 2001. Foto Doug Kanter/AFP
De verwoeste Twin Towers in New York, 2001. Foto Doug Kanter/AFP

Los van wat persoonlijke sores verliepen de late jaren tachtig en de jaren negentig, de twee decennia van mijn vroege, naïeve jeugd, in mijn herinnering tegen het vlekkeloze aan. Gechargeerd komt het er op neer dat er eens in de zoveel tijd een man in een net pak op tv verscheen die, staand achter een koffertje, vertelde dat het dit jaar wéér iets beter ging met de economie. Soms kwam de aimabel ogende Bill Clinton met een saxofoon voorbij of stond hij lachend tussen Arafat en Rabin en zelfs gierend naast Jeltsin. Dat ze er in zijn land een probleem van maakten dat hij een sigaar deelde met een stagiaire, daar lachten we hier om. Hier kon alles en toch ging er, afgezien van een belabberd ingeschoten penalty, weinig mis. Leek het.

Dat alles is – ‘natuurlijk’ – veranderd in 2001. Torens vielen, Fortuyn kwam op en stierf, en zelfs bij ons in de stamkroeg, ergens bij de Duitse grens, ging het ineens tot stampvoeten toe over politiek en wat die politiek allemaal wel niet op zou moeten lossen. Sindsdien wankelt alles, lijkt het. Sindsdien de Irakoorlog, sindsdien terrorisme, de inktvisarmen van het internet, de financiële crisis – een voorbode waarschijnlijk van een nog grotere meltdown.

Het oudste essay in De wereld in jezelf, een door de schrijvers Joost de Vries, ook redacteur van De Groene Amsterdammer, en Nina Polak samengestelde bloemlezing, stamt dan ook niet van vóór 9/11, maar van vlak daarna; het is een rampduidend stuk van wijlen Michaël Zeeman, destijds ‘huisessayist’ van de Volkskrant. Het essay, getiteld ‘Hoe de feiten de verbeelding perverteerden’, heeft een, zeker gezien de korte tijdspanne waarin het geschreven werd, bewonderenswaardige diepgang, terwijl het tegelijkertijd iets ijdels en onaangedaans heeft. Zeeman kan het zich, met die gevlochten analyse van verhaalvormen en catastrofe, nog permitteren om hét bepalende moment van de nieuwe eeuw als een, tja, evenement te zien, als een pas onthuld museumstuk. ‘9/11’ was al wel gebeurd, maar reëel was het nog niet.

Kwakkelende, angstige wereld

Is het essay de ideale vorm om die kwakkelende, angstige wereld in te vangen? Vat de essentie van het genre maar eens in een slagzin, maar wat je volgens mij wel kunt zeggen, is dat het essay vergeleken met literaire genres als de roman of het gedicht een grotere directheid bezit. Als je het gemakshalve afzet tegen alleen de roman, dan is het essay eerder de intellectuele pit van de roman dan dat de roman dat van het essay is. Het essay zou het merg kúnnen zijn van de roman, dat omvangrijkere project waarin het denkproces in personages, observaties en andere indirectheden uitgesponnen wordt – en vervolgens door de lezer ontward. De Vries en Polak wijzen er in hun voorwoord op dat ‘het literaire, de mooischrijverij’ bij veel hedendaagse essayisten ‘op een tweede plek komt’. Los van de vraag of ‘het literaire’ een synoniem is van ‘mooischrijverij’ begrijp je wel waar ze op doelen: minder omwegen en, tot op zekere hoogte, stoken. Het is dan ook treffend dat Joost Zwagerman in een essay streng wijst op het veronderstelde gebrek aan actualiteit in Nederlandstalige romans.

‘Het moet anders’, dat is wat veel van deze essays uitstralen. We moeten anders gaan oordelen, of het nu het populisme betreft (David Van Reybrouck), de vrouw-zonder-kind (Saskia De Coster en Franca Treur), de vermeende schuld van Marokkaanse Nederlanders (Hassan Bahara), monogamie (Simon(e) van Saarloos), de onterechte verering van de zweep die kapitalisme heet (velen). (Uit de ondertitel moet dus niet opgemaakt worden dat de 60 essays alleen over literatuur gaan; eerder dat de samenstellers het puikje van de essayistiek hebben willen verzamelen.)

Verboden voor witte mensen

Dat De Vries en Polak tijdens hun zoektocht veel essays over porno tegenkwamen, resulteert in stukken daarover van Tommy Wieringa en Philip Huff. Met name de eerste schreef een prachtig essay; niet alleen in een jaloersmakende stijl, maar ook vol narratieve technieken: er zit reportage in, er zit interview in en hij splitst zichzelf op in twee personages. Een ervan gaat gebukt onder de tergende aanwezigheid van zogenaamd beschikbare vrouwen, de ander strooit, door een beroep te doen op de beschaving, af en toe wat ijs over de begeerte. De mooischrijverij mag in het essay dan op een lager plan staan dan bij de roman, Wieringa laat hier wel zien dat hoe beter je het opschrijft, hoe overtuigender het wordt.

Lees ook: 80 boeken om deze winter cadeau te geven

Die kwaliteit ontbreekt volledig bij Anousha Nzume, die in een paar pagina’s hard probeert te maken dat ‘witte mensen’ (mensen met een witte huid) niet naar artiesten als Beyoncé of Jay-Z zouden mogen luisteren omdat ze daarmee aan culturele toe-eigening doen. Men spreekt van culturele toe-eigening wanneer een ‘meerderheidsgroep’ in een samenleving een ‘cultuurelement overneemt van een gemarginaliseerde groep’. Dat twee multimiljonairs, die alles doen om hun muziek bij zoveel mogelijk mensen onder de aandacht te brengen, zogenaamd nog steeds bij team-marginaal horen is onwaarschijnlijk. Nzume houdt op met denken wanneer het haar uitkomt, iets anders kun je er niet over zeggen, en het is onbegrijpelijk dat haar tekst in deze bundel is opgenomen. Of het is allemaal dikke ironie. In dat geval heb ik niks gezegd.

Onevenwichtig

De wereld in jezelf is wat onevenwichtig van kwaliteit. Nina Polak zelf, die recent ook al zoveel indruk maakte met haar roman Gebrek is een groot woord, schrijft indringend over het veranderde aangezicht van Amsterdam en Bas Heijne maakt in één denkbeweging duidelijk dat er een misverstand bestaat rondom de term postmodernistische kunst, maar daar staat tegenover dat er ook flodderige, opsommerige stukken in de bundel staan waarin tot weinig wordt doorgedrongen.

Ook opvallend: het essay is blijkbaar voorbehouden aan journalisten en letterkundigen met een interesse voor de, tja, veranderende tijdgeest of voor zichzelf. Geen hardcore economisch essay, niks over architectuur, bèta-wetenschap of sport. Het essay mag dan ‘het meest vrije genre in de literatuur’ zijn, zoals de samenstellers beweren, het is de vrijheid binnen de bubbel.