„Als we ergens in investeren, willen we doorgaans niet opgeven”, ziet Chantal van der Leest. Daarom blijven mensen soms veels te lang in een uitzichtloze baan zitten.

Foto Lars van den Brink

‘We hebben een hekel aan verlies’

Interview Iedereen maakt denkfouten, en zou zich daar tegen moeten wapenen, vindt Chantal van der Leest. Zéker op het werk.

Denkfouten, iedereen maakt ze. Ook al denkt iedereen dat hij ze niet maakt. En we maken ze ook nog eens overal: op het werk, in de supermarkt of bij het interpreteren van nieuws. Dat hoeft niet altijd erg te zijn, maar kán grote gevolgen hebben.

Wetenschapsjournalist Chantal van der Leest, die er het boek Ons feilbare denken op het werk over schreef, ziet daarom het liefst dat iedereen zijn eigen denkfouten leert herkennen. Maar, waarschuwt ze: als je je er eenmaal bewust van bent, zie je ze overal. En probeer de denkfouten van je collega’s of vrienden maar eens bespreekbaar te maken. Dat is zo gemakkelijk nog niet, weet ze uit ervaring.

Neem zoiets als de volgorde waarin je karaktereigenschappen opnoemt. De Pools-Amerikaanse psycholoog Solomon Asch, beroemd om zijn onderzoeken naar conformisme, liet proefpersonen kiezen tussen kandidaat Alan (intelligent, actief, impulsief, kritisch, koppig, jaloers) en kandidaat Ben (jaloers, koppig, kritisch, impulsief, actief, intelligent): wie zou je kiezen in een sollicitatieprocedure?

De meeste mensen kozen voor Alan, hoewel hij precies dezelfde eigenschappen heeft als Ben. Dat is het gevolg van het ‘halo-effect’, beschrijft Van der Leest: onze eerste indruk beïnvloedt hoe we over iemand denken. Een lastig te corrigeren denkfout, zelfs als we ons er eenmaal bewust van zijn.

De oorsprong van zulke cognitieve uitglijders ligt in de manier waarop we besluiten nemen. Dat doen we vanuit twee ‘systemen’, legt Van der Leest uit. „Systeem één neemt snelle beslissingen op basis van vuistregels over hoe de wereld in elkaar zit.” Ideaal in voorspelbare situaties. Het grootste deel van de tijd, zo’n 95 procent, werken we dan ook vanuit dat eerste systeem. „Systeem twee gebruik je in situaties die nieuw zijn, waarin je de informatie moet wegen. Dat systeem komt pas in actie als dat echt nodig is en kost meer tijd en energie.”

Van der Leest maakt ook wel de vergelijking met Bert en Ernie: „Ernie handelt op gevoel en is heel spontaan. Hij lijkt niet echt na te denken voordat-ie handelt. Bert is een beetje grumpy, heeft geen zin om zich ermee te bemoeien.” Net als systeem twee komt Bert pas in actie als Ernie er niet meer uitkomt. Pas als het écht moet, omdat een taak te ingewikkeld blijkt.

Maar dat gaat dus weleens mis…

„In complexe, onvoorspelbare situaties kan het voorkomen dat je op basis van vuistregels uit systeem één te snel tot een conclusie komt. Systeem twee kan die conclusie vervolgens maar met moeite corrigeren, omdat systeem twee zich altijd baseert op systeem één. Daar kan het niet omheen. Het zal altijd argumenten zoeken die bij de overtuigingen in systeem één passen. Je kunt Ernie niet even uitzetten…”

In deze werkwijze van ons brein schuilt het risico op denkfouten, legt Van der Leest uit. Is een conclusie eenmaal getrokken, dan is het moeilijk die achteraf bij te stellen – zélfs als je je daarvan bewust bent.

„Het is een beetje als met optische illusies: je kunt wel weten dat iets anders in elkaar zit dan wat je denkt te zien, maar systeem één zorgt er tóch voor dat je het zo blijft zien.”

Op het werk zie je zoiets bijvoorbeeld vaak in sollicitatiegesprekken. „Je kunt je voornemen: ik ga iemand helemaal objectief beoordelen, maar onbewust spelen allerlei eerste indrukken toch een rol. Zelfs als een sollicitant Floris heet en je kende vroeger toevallig een Floris die heel onaardig was, dan kan dat al een rol spelen. In zeer beperkte mate, maar tel honderd van dit soort dingen bij elkaar op en het kan zeker een verschil maken.”

Denkfouten maken we vaak ongemerkt, schrijft u, terwijl er genoeg situaties te bedenken zijn waarin ze grote gevolgen hebben. Hoe kan dat?

„Neem de fout van de gemaakte kosten: als we ergens in investeren, willen we doorgaans niet opgeven. We hebben een hekel aan verlies. We vinden verlies gemiddeld zelfs erger dan dat we winst leuk vinden. Stoppen met een hopeloos project of een uitzichtloze baan bijvoorbeeld, is een vorm van verlies. Daarom gaan we soms veel te lang door, waardoor het verlies alleen maar groter wordt.”

Bert weet dat het hopeloos is, maar door Ernies afkeer van verlies neem je dus niet de juiste beslissing?

„Ja. En als het gaat om grote projecten – waarbij een van de twee concurrenten een product eerder, sneller, goedkoper en beter aflevert bijvoorbeeld – kunnen zo miljoenen verloren gaan, omdat er maar geld in gepompt blijft worden.”

Je kunt je tegen dit soort denkfouten wapenen zegt Van Der Leest, door simpelweg te weten welke je kan maken en je erop voor te bereiden. In het boek geeft ze allerlei tips over hoe je dat in de praktijk doet.

Het boek put veel uit persoonlijke ervaring – met eigen denkfouten op het werk, en die van collega’s. Is dat een worsteling geweest?

„Ja, ik denk dat het boek zelfs een belangrijke reden is dat ik niet meer werk waar ik werkte toen ik het begon te schrijven. Ik zag op gegeven moment overal denkfouten. Dan dacht ik: hier gaat iets mis, maar ik wist niet precies hoe ik het onder woorden moest brengen. Ik heb mensen er daarom ook niet op aangesproken. Ik had niet de juiste beschrijving voorhanden van wat er misging en hoe het beter kon.”

Gaat u daar nu anders mee om?

„Dat is een hele weg geweest. Ik was erg cynisch geworden, op een grimmige manier. Dat merkte mijn redacteur bijvoorbeeld aan de grapjes in het boek. Gaandeweg ben ik wel milder geworden.”

„Toch vind ik nog steeds dat we allemaal over denkfouten zouden moeten leren. Misschien al op school, in de vorm van een handleiding voor ons brein. Het is goed om te weten hoe je wordt beïnvloed door je eigen, onbewuste overtuigingen.

„Als mensen hier meer over nadenken, zien ze misschien dat er heel veel grijs is. Het boek is daarom ook een ode aan de twijfel: je hoeft niet altijd een stellige mening te hebben. Je mag zeggen: ‘Dit is te complex’, of: ‘Ik weet hier niet genoeg van.’”