Recensie

Recensie Boeken

Exotische locaties, seks en terreuraanslagen op Europese torens

Wanda Reisel In haar nieuwe, volle roman laat Reisel veel ongeloofwaardigheden toe. Is dit James Bond? Of een pastiche daarop?

Illustratie Paul van der Steen

Het begin is eigenlijk te gek om waar te zijn. Net als Adam Landau de Industrieele Groote Club bezoekt, de kapitalistensociëteit in het centrum van Amsterdam, en hij net op het balkonnetje staat dat uitkijkt op het Nationaal Monument op de Dam, slaat een explosief die stenen fallus aan gruzelementen. Merkwaardig: de brokstukken gaan rakelings langs Adam heen, ‘alsof hij de held was in een computergame’, terwijl iedereen om hem heen gewond raakt – hij snelt ze te hulp, en wordt, terwijl hij het bloedende dijbeen van een vrouw verbindt, door haar venusheuvel aangestaard (!), wat hij nota bene opwindend vindt. En laten we niet vergeten dat Adam seconden vóór de explosie een stem met onbekende herkomst had gehoord die hem had ingefluisterd: ‘Jij moet je leven omgooien.’

Dat doet Adam dan ook maar. Hij papt aan bij een liefdadigheidsorganisatie die nog wel een goede financiële man kan gebruiken en regisseert zo een ontsnapping uit zijn voortkachelende succesleven, mét weggesluisde goede-doelentonnen op zak. Dat lukt allemaal: hij zet een dwaalspoor uit en stapt op de trein, via Wenen en Istanbul naar Shanghai en uiteindelijk naar een camping aan een Noors fjord. Hij pikt in die eerste trein ook nog een knappe vamp van een fotografe op, die tussen het vastleggen van vluchtelingen graag met hem de koffer in duikt.

Onaantastbare man

Wat is dit? James Bond? Of een pastiche daarop? Hoe het ook zij: de nieuwe roman Adam van Wanda Reisel verbaast. We wisten uit haar eerdere werk al dat Reisel (1955) een scheutje spektakel niet schuwt, maar hier is ze zo kwistig met de ongeloofwaardigheden dat je er iets achter gaat zoeken. Grotesk is het, maar het lastige eraan is: ook weer niet zo grotesk dat je erom moet lachen. Reisel vindt het zelf allemaal wel best mal – denk aan de computergame-vergelijking, en weet dat ze ook noteert: ‘Niemand had zoiets grotesks als een aanslag op het monument kunnen voorzien.’ Maar ze laat het ondertussen wel allemaal gebeuren, in haar romanuniversum. Daar moeten we het mee doen. Serieus dus.

Lees ook: 80 boeken om deze winter cadeau te doen

Dat levert meer problemen op. Als Reisel, betrekkelijk vroeg in de roman, een soort sleutelmoment ensceneert – Adam herinnert zich hoe hij door zijn moeder achtergelaten wordt in de kleuterklas – vertelt ze daarover in de kitscherigste toonaarden: ‘De eerste keer dat hij zich los moest maken van haar stond in zijn ziel gekerfd’. Dat is zo belachelijk als iemand die je verwilderd komt melden dat zich in de keuken een ramp heeft voltrokken, waarna blijkt dat alleen de eieren op zijn. Als Adam zijn moeder verliest bij een auto-ongeluk dat hij veroorzaakte, blijft Reisel gas geven: ‘En sindsdien was er een vreemde, ondoordringbaar zwarte beklemming geweest die hem opslokte.’ Meen je dat nou?

Serieus nemen of niet – dat kan een lekkere uitgangspositie voor een roman zijn, een roman met een onbetrouwbare verteller, met een vette clou aan het eind of met een satirische inslag. Maar zo lees je Adam lange tijd niet. Eerder voelt dit als een schelmenroman over een onaantastbare man, maar daarnaast sluimert er ergens nog een psychologische roman, waarin Adam geconfronteerd wordt met de grenzen van zijn onaantastbaarheid, die samenhangt met zijn geschiedenis als zoon, broer en vader. Er komt ook nog een Joods oorlogstrauma om de hoek kijken.

Die achtergrond zou diepgang moeten geven, maar heeft weinig effect. Misschien komt dat door Adams aalgladheid, die Reisel zo benadrukt – en het absurd onverenigbare contrast van die onbewogenheid met de hysterie van zijn trauma’s, die daardoor potsierlijk overkomen. Misschien ligt het vooral aan de merkwaardig noodzaakloze onderneming die Adams ontsnapping is: vluchten oké, maar wat zoekt hij eigenlijk? ‘Ik heb mezelf tot nu toe voorbijgelopen, dacht hij, een leven geleid dat niet bij me paste’, staat er halverwege de roman (zo expliciet dat het ook weer ironisch lijkt). Maar nú dan, Adam? Wat is je streven?

De fallussen van het Westen

Aan actie en gebeurtenissen geen gebrek in Adam, dat daardoor eigenlijk meer aan een knalboek van Leon de Winter herinnert dan aan Reisels andere werk – exotische locaties, seks en een almaar grotesker wordende reeks terreuraanslagen op Europese torens, van de Berlijnse Fernsehturm tot de toren van Pisa. Aan een gevoel van noodzaak is het gebrek des te groter. ‘Ongrijpbaar en onzichtbaar zijn’, dat is uiteindelijk een doel dat Adam formuleert. Met dat gebrek aan grip heeft Reisel het zich als schrijver – en ons als lezers – wel vreselijk moeilijk gemaakt.

Het is een wisselvallig boek; er zijn ook stukken de moeite waard. De familiegeschiedenis in Shanghai levert mooie overgeërfde mythes op – het is alleen jammer dat die slechts met grote moeite in verband te brengen zijn met Adams zielenroerselen. Het verblijf aan het Noorse fjord wordt een spannende episode, wanneer winters natuurgeweld barsten slaat in Adams almacht – jammer dat dat moment zo laat komt.

Wel luidt het de ontknoping van de roman in, de vette clou die er toch nog inzit, en die ten langen leste de vraag beantwoordt of Reisel het nou meende, met dat droommeisje Lili, die eigenlijk te mooi en gewillig was om waar te zijn, met die malle aanslagen (‘Ze waren bezig de fallussen van het Westen te castreren’), met die fnuikende oninteressantheid die aan de hoofdpersoon kleefde.

Dat antwoord is bevredigend, maar niet zaligmakend: de ontknoping maakt duidelijk dat Adam én ontroerend én een soort satire wilde zijn. Die dubbele ambitie neemt je uiteindelijk voor Reisels project in, maar dan vooral als grootse mislukking. Juist de maatschappijkritische ondertoon van de satire maakt dat de roman nog suffer in de soep loopt dan al gedacht. En ontroerend? Nee, de roman blijft te gek om waar te voelen.