Oranjes verkochten in stilte kunst aan Rijk

Oranjekunst Kunst en antiek van de Oranjes die miljoenen waard is, is in stilte door het Rijk gekocht. Niet om er openbaar kunstbezit van te maken, maar om te voorkomen dat de familie het verkoopt.

Japanse lakkabinet, onderstel toegeschreven aan Daniel Marot, ca. 1680
Japanse lakkabinet, onderstel toegeschreven aan Daniel Marot, ca. 1680 Foto Rijksmuseum

De koninklijke familie heeft meer kunst en antiek uit de Koninklijke Collecties verkocht dan bekend was. In stilte zijn in de jaren tachtig diverse ‘paleisgebonden’ cultuurgoederen uit Huis ten Bosch en Het Loo door verkoop nationaal bezit geworden. Dat bevestigen het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en de Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) in antwoord op vragen van NRC.

De overheid kocht de cultuurgoederen om te voorkomen dat de koninklijke familie ze aan derden zou verkopen. Dat kan worden geconcludeerd uit de gezamenlijke verklaring van het ministerie van OCW en de RVD. „Als rijkseigendom is behoud van deze voorwerpen in de paleizen waarvoor ze in veel gevallen zijn vervaardigd op lange termijn gegarandeerd.”

Japanse lakkabinetten

Het ministerie kan niet direct zeggen welk bedrag met de aankopen was gemoeid. Ook kon het ministerie donderdag nog geen lijst van de aangekochte „roerende goederen” aanleveren.

Vaststaat dat de Oranjes in 1982 ten tijde van het kabinet-Lubbers I onder meer twee kostbare Japanse lakkabinetten te gelde maakten. Het gaat om meubels die sinds het einde van de zeventiende eeuw familiebezit waren. De in zulke kabinetten gespecialiseerde antiquair Pieter Hoogendijk noemt de koninklijke kabinetten „van onschatbare waarde”. In 2013 kocht het Rijksmuseum een Japanse lakkist uit de VOC-tijd voor 7,3 miljoen euro.

Ook zijn in juni 1989 door verkopen aan de Stichting Paleis Het Loo ten minste twee kostbare antiquiteiten nationaal bezit geworden. Het gaat om een zilveren, vroeg achttiende-eeuws ameublement gemaakt door de Augsburgse meubelmaker Johann Bartermann, en een met putti versierde zeventiende-eeuwse spiegel afkomstig uit Honselersdijk, het voormalige jachtslot van prins Frederik Hendrik van Oranje. De waarde van het zilveren ensemble – een tafel, spiegel, diverse kandelaars – ligt volgens kenners „ver boven het miljoen”.

Zilveren ensemble, in de 18de eeuw in Augsburg gemaakt door Johann Bartermann. Gekocht door Wilhelmina voor paleis Het Loo, in 1989 verkocht aan de Stichting Paleis Het Loo. Foto Stef Verstraaten, Paleis Het Loo, Apeldoorn

De koninklijke familie heeft roerende goederen aan het Rijk verkocht die, volgens het ministerie, „in veel gevallen zijn vervaardigd voor de paleizen”. Dat geldt niet voor de lakkabinetten, het zilveren ensemble en de spiegel.

Curieuze misverstanden

Aan de verkopen is nooit ruchtbaarheid gegeven. Met curieuze misverstanden als gevolg. De kabinetten, het zilveren ensemble en de spiegel stonden tot voor kort op de lijst van beschermde cultuurgoederen, terwijl ze allang rijksbezit waren.

Op de lijst van beschermde cultuurgoederen staan alleen kunst en antiek in particulier bezit. Deze voorwerpen, van schilderijen tot monstransen, mogen het land niet verlaten omdat ze krachtens de Wet tot behoud van cultuurbezit (WBC) tot nationaal erfgoed zijn verklaard.

Door een „administratieve vergissing”, aldus het ministerie, zijn de Japanse lakkabinetten in 1991 ten onrechte op de erfgoedlijst geplaatst. De betrokken partijen, de WBC-commissie van het ministerie van OCW en de vertegenwoordigers van het hof met wie destijds uitvoerig is overlegd, waren kennelijk niet op de hoogte van het feit dat de kasten negen jaar eerder door verkoop al onvervreemdbaar rijkseigendom waren geworden.

Na een bericht van de Intendance der Koninklijke Paleizen in 2012 haalde Erfgoedinspectie, de overheidsdienst die toezicht houdt op het nationale erfgoed, de kabinetten een jaar later van de lijst. Daar stonden ze dus 22 jaar ten onrechte op. Ook het zilveren ensemble en de spiegel op Het Loo stonden vanaf de verkoop in 1989 nog dertien jaar ten onrechte op de lijst.

Dat overheidsinstanties lange tijd niet wisten van de Oranje-verkopen is verklaarbaar, zegt Riemer Knoop, voormalig lid van de WBC-commissie. Hij spreekt van een „administratieve janboel”. De Raad voor Cultuur, Erfgoedinspectie en de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed werkten niet goed samen, zegt Knoop. „Daardoor is vaak onduidelijk wie wat in bezit heeft dan wel beheert.” Een vraag over de onwetendheid aan hofzijde bleef onbeantwoord.

Lasten

Sinds de verkopen komen de aan de goederen verbonden lasten, zoals verzekering, onderhoud en restauratie, voor rekening van de overheid. Verder bleef alles bij het oude; de verkochte kunst en antiek bevindt zich nog op dezelfde plek, namelijk in de paleizen.

Zo behoren de Japanse lakkabinetten, die op dit moment in het atelier van het Rijksmuseum worden gerestaureerd, nog immer tot het vaste meubilair van Huis ten Bosch, sinds kort het woonpaleis van de koninklijke familie.

De kabinetten zijn omstreeks 1680 in Japan gemaakt. De jaarlijkse reis naar de keizer van Japan van de Hollandse hoofdkoopman van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) is in het lakwerk afgebeeld. Verder ook het eiland Deshima, de berg Fuji en allerlei vogels en planten.

Lees ook: Koninklijke cadeaus, vorstelijke problemen: hoe de Oranjes omgaan met geschenken

De meubels, mogelijk een geschenk van de VOC, zijn eeuwenlang bezit geweest van het Huis Oranje-Nassau. De eerste eigenaar was prinses Albertine Agnes van Nassau (1634-1696), dochter van Frederik Hendrik en Amalia van Solms. Door vererving kwamen de meubelstukken uiteindelijk in bezit van koningin Wilhelmina. Zij plaatste ze eerst in de Japanse Zaal van Huis ten Bosch, en later in de Balzaal.

De lakkabinetten zijn slechts twee keer kort publiekelijk getoond: in 2000 in het Paleis op de Dam in Amsterdam, na een staatsbezoek van de keizer van Japan. En eind 2015 op de tentoonstelling Azië > Amsterdam, Luxe in de Gouden Eeuw in het Rijksmuseum Amsterdam. Het museum verspreidde toen een persbericht over het ‘koninklijke bruikleen’: „Het is een enorme eer dat wij meubelstukken van zo’n schoonheid en met zo’n geschiedenis mogen lenen. Zonder de huidige renovatie van Huis ten Bosch zou dit nooit mogelijk zijn geweest.”

Huis ten Bosch en de inrichting van de representatieve ruimtes in het paleis zijn staatseigendom. In tegenstelling tot bijvoorbeeld het Britse koninklijke paleis Buckingham Palace is het Haagse paleis niet voor publiek toegankelijk.

Ontzamelen

Ontzamelen is sinds de dood van koningin Juliana in 2004 een Oranje-traditie geworden. Steeds opnieuw leidde het verkopen van kunst en antiek uit de nalatenschap van koningin Juliana tot verontwaardiging, kritiek en ook Kamervragen. Museumdirecteuren vroegen zich herhaaldelijk af waarom cultuurspullen van nationaal belang stilletjes zijn verkocht of aan veilinghuizen werden aangeboden. Was het niet gepaster om musea eerst de kans te bieden erfgoed voor Nederland te behouden? De vraag of de verkochte goederen wel privé-bezit van de familie waren, kwam ook herhaaldelijk aan de orde.

Die vragen klonken begin januari opnieuw toen duidelijk werd dat Sotheby’s op 30 januari in New York dertien oude tekeningen veilt, vermoedelijk in opdracht van prinses Christina. De tekeningen behoren al ruim anderhalve eeuw tot de koninklijke collectie. Vooral een krijttekening van Rubens met een geschatte opbrengst van zo’n 3 miljoen euro trok de aandacht.

    • Arjen Ribbens