Foto: Frank Ruiter

‘Nu kon het. Het verhaal is af. De boom is geveld’

Tommy Wieringa In veel van zijn romans gaf Tommy Wieringa zijn moeder een rol. Nu schreef hij écht over haar, letterlijk, niets verzonnen. Over een avontuurlijke en meedogenloze vrouw die ‘een domme keuze’ maakte. ‘ Tekst Foto

Tommy Wieringa (51) heeft een boek over zijn moeder geschreven, Lia Wiersema (1942-2015). We praten over haar bij een tosti in een strandpaviljoen bij Edam, met uitzicht over voorheen de Zuiderzee.

Ze was, schrijf je, een van je favoriete personages…

„Ja.”

… en ik herkende haar in de moeder van ‘Joe Speedboot’, met haar Egyptische minnaar.

„Dat is waar ook.”

Was je dat vergeten?

„Het loopt een beetje door elkaar, haar rol als fictieve figuur en als mijn moeder. Ze is een verschijningsvorm in beide werelden geworden.”

Ik herkende haar ook in de moeder van ‘Caesarion’, die aan onbehandelde borstkanker sterft.

„Net als mijn moeder.”

En in de moeder in ‘De heilige Rita’, die haar zoon verlaat.

„Zoals ik haar op mijn elfde verlaten heb.”

Waarom, vroeg ik me af, wilde je ook nog…

„…letterlijk…”

…ja, letterlijk over haar schrijven? Ervan uitgaande dat ‘Dit is mijn moeder’ niet verzonnen is.

„Nee, het is de werkelijkheid. Ze was larger than life, mijn moeder. Een reusachtige boom in mijn leven. Hoe zou ik níet over haar kunnen schrijven? Mijn moeder, ja, jezus… ik hou erg van de literatuur als avontuur. Herinner je je die vraag van Milan Kundera in zijn essay over de romankunst? ‘Wat is er toch gebeurd met het avontuur, het eerste grote romanthema?’ Don Quichot, Moby Dick, romans vol ruimte en avontuur. Avontuur is een draadje in mijn werk, er moet iets te beleven zijn, en mijn moeder was gegrepen door het avontuur. Ze was voor mij een bron van verhalen en bewondering.”

Je bent bang dat je op haar lijkt, schrijf je. En dan zegt de psychiater die je consulteert…

„‘Meneer Wieringa, u bént uw moeder niet.’ Een heel goeie psychiater trouwens, ik bleek hem gedeeld te hebben met Hugo Borst.”

Die ook over zijn moeder geschreven heeft.

„Ja, haha, die psychiater zag ze komen, de mannen met hun moeder-issues.”

Wanneer was je bij hem?

„Op mijn dertigste. Ik was gestopt met roken en ik dacht, nu moet ik mezelf… ik was bang om kinderen te krijgen. Ik dacht, stel je nou voor dat je ooit een leuke vrouw treft? In de staat waarin ik toen was durfde ik geen kinderen te krijgen.”

Want je was…?

„Opvliegend en gewelddadig. Ik ging uit voorzorg naar de psychiater, om te kijken in hoeverre je je van jezelf kunt bevrijden. Het kon. Ik geloof erg in maakbaarheid.”

Daarna schreef je ‘Joe Speedboot’.

„Dat was een van de goeie dingen ervan. Het stelde me in staat om mezelf als onderwerp achter te laten. Ik was dat autobiografische gekrabbel van mijn eerste romans beu. Een bekende vergissing, dat je iets uit je leven aanziet voor goed en interessant materiaal.”

Je moeder is het wel.

„Ik heb haar als personage altijd meegenomen.”

In ‘Caesarion’ beschrijf je ver voor haar dood het sterfbed dat ze zou gaan krijgen.

„Het was voorspelbaar dat het zo zou gaan, en ik heb de literatuur ingezet als pressiemiddel. Ik zei tegen haar: ik heb een boek geschreven waar een vrouw in voorkomt die borstkanker heeft en zich niet laat behandelen, en ik beschrijf hoe dat eruit gaat zien. De kanker barst door de huid heen. Ik beschrijf ook met welke pijn dat gepaard gaat. Pijn van kanker is de ergste die er is. Ze was ontsteld. En zo geschrokken dat ze een deel van haar borst heeft laten weghalen.”

Maar te laat.

„Te laat. Ze zei: ik doe dit alleen maar voor jou. Wat onzin was. Ze was gewoon bang. En die angst had ze laten dempen door kwakzalvers en door haar antroposofische huisarts, die jarenlang heeft volgehouden dat het geen kanker was, maar een ontsteking. Iemand vroeg laatst waarom ik geen vrede had met haar keuze, het was toch haar leven? Nee, natuurlijk had ik daar geen vrede mee. Het was een domme keuze. Het is onacceptabel als je moeder doodgaat aan iets waar ze helemaal niet aan hoeft dood te gaan.”

Was schrijven over haar ook een manier om haar terug te halen?

„De afgelopen drie jaar waren heel bijzonder. Overal waar ik kwam doken er mensen op met verhalen over haar, met brieven, foto’s. Ze heeft wel honderd levens gehad. Op haar uitvaart kreeg ik van een goede vriend van haar een doos met correspondentie die begint in 1969, toen we naar Aruba verhuisden.” Zijn vader werd daar leraar. „Een geluksgift, echt te gek. Ik heb een hele zomer als een archeoloog haar leven zitten uitpluizen en ik kon er uiteindelijk een soort erotische chronologie in aanbrengen. Wat met wie op welk moment.”

Die goede vriend was ook een minnaar geweest.

„Hij niet, een wederzijdse vriend wel. Die had ze kort na mijn geboorte ontmoet in een winkel en al die jaren op Aruba zag ze met hem een beter leven voor zich dan met mijn vader. Ze schrijft voortdurend dat ze allang weg was geweest als ze mij en mijn zusjes niet had gehad. Met een rugzak op door Zuid-Amerika, dat wilde ze. Naargeestig, om zo een huwelijk in stand te moeten houden. Toen we na zes jaar weer in Nederland waren, dacht ze: nu gaan we het verzilveren. Maar het gebeurde niet.”

Ze was opgegroeid met een protestantse God, schrijf je, en met de liederen van Johannes de Heer.

„Het zusje na haar was overleden. Meteen daarop was er weer een meisje verwekt en dat kreeg precies dezelfde naam. Haar vader was douanier in Tolkamer, hij controleerde schepen uit Duitsland op contrabande. In de oorlog waren ze geëvacueerd naar Zelhem, op de Baakse Hoeve. Daar heeft ze het wel slecht gehad. Terwijl haar moeder op bed lag met hartklachten en haar vader eropuit was om voedsel te vinden, zat zij opgesloten in de koeienstal, zonder toezicht. De verlatenheid – die heeft ze me beschreven als een van de vormende gebeurtenissen in haar jeugd.”

Het is ook een vormende gebeurtenis in jouw jeugd.

„Bij de scheiding was ik aan mijn moeder toegewezen, maar na de eerste nacht heb ik haar meegedeeld dat ik niet bij haar bleef. Geen rafeltje twijfel. Ik ging terug naar mijn vader. Zijn lichte verwaarlozing had ik liever dan haar wispelturigheid. Ze was zo ongelooflijk wispelturig, mijn moeder. Binnen een paar seconden verschoot ze van woede naar liefheid en weer terug. Maar goed, we zijn nooit van elkaar afgekomen.”

Zonder haar was je misschien geen schrijver geworden.

„Nee, en haar zin voor avontuur is op mij overgegaan, en op mijn zusters, ook mateloze reizigers. In hoeverre je een reactie bent op het gedrag van je ouders en een voortzetting ervan… ik reisde vanaf mijn elfde elke dag van Geesteren, waar ik met mijn vader woonde, naar de Vrije School in Zutphen, bijna twee uur heen en twee uur terug, zonder toezicht, fantastisch. Altijd lezen, altijd dagboekjes krabbelen. Maar mijn dochters, ze zijn acht en zeven nu – geen sprake van dat ik ze alleen naar school laat fietsen. Tot aan de brugklas ga ik met ze mee.”

Die dagboekjes, was dat om vat te houden?

„Aantrekkelijke gedachte, maar niet verifieerbaar. Ik vond het leuk om te zien wat er gebeurt met een ervaring als je die opschrijft. Ze raakt van je verwijderd, je kunt iets toevoegen, je kunt haar beter maken, dramatischer, of juist afzwakken. In het maken van die notities en de variaties die ik mezelf toestond zit mijn heel vroege schrijfplezier.”

Met een onvoorspelbare moeder word je ook een goede observator.

„Ik was de seismograaf van een falend huwelijk. De vakanties in Venetië en Ravenna, sloffend en gedeprimeerd in het kielzog van mijn ouders in de laatste maanden van hun huwelijk – het onderhuidse gif, de bitterheid. Gruwelijk.”

Waarom heb je ‘Dit is mijn moeder’ nu pas geschreven, na haar dood?

„Nu kon het. Het verhaal is af. De boom is geveld.”

Wist ze dat je het ging doen?

„Ik heb het haar op haar sterfbed verteld. Ze vond… ze begreep… ze had vrede met haar rol als materiaal. Ze kon er ook wel om lachen. Ze kwam ook altijd luisteren als ik ergens in het noorden voorlas.” Ze woonde in Groningen, waar ze een sieradenwinkel dreef. „Maar ik had het liever niet gedaan, dat boek over haar. Caesarion had ik liever niet zo geschreven. Ik had liever een ander verhaal gemaakt.”

Of had je liever een andere moeder gehad?

„Natuurlijk niet. Ik vind het wel vrij tragisch dat we ons leven lang geruzied hebben. Zij meende dat dat voorbij zou zijn als ik haar maar zou begrijpen. Ze bleef zichzelf maar verklaren, uitleggen, in eindeloze monologen. Volgens haar kwam alles in mij voort uit het verdriet over haar vertrek lang geleden. En ik geloofde dat niet. Ik had daar allang vrede mee en ik maakte gretig gebruik van de ruimte die de disfunctionaliteit van het gezin me gaf. Maar waar ik geen vrede mee kon hebben, dat was haar… meedogenloosheid.”

Meedogenloos tegenover wie?

„Alles en iedereen. Mijn vader, die zich altijd keurig heeft gedragen tegenover haar, heeft maar één keer iets lelijks over haar gezegd, vorig jaar. Hij zei: ze ging over lijken. Het was háár vrijheid en háár belang, ten koste van anderen. Dat was de bron van onze altijddurende conflicten.”

Nog even over de psychiater…

„Het is lang geleden, hoor.”

…en de angst dat je op je moeder leek.

„Het was vooral het gevoel van ontheemding dat me ertoe bracht om bijstand te zoeken. Op mijn dertigste had ik achttien of negentien adressen gehad, een instabiel leven. Mezelf vertrouwde ik al helemaal niet. Was er niet iets beters te verzinnen dan dit? Ik wilde iets van vaste grond verwerven.”

Maar is die angst verdwenen?

„Ik bezit dezelfde woede en dezelfde grenzeloosheid als zij, alleen heb ik haar als voorbeeld gehad. Ik heb mezelf op tijd kunnen terugsnoeien. Mijn moeder kon heel priesterlijk zijn, ze dacht dat ze op aarde was om mensen te helpen. Het volgende moment sloeg ze de caravan van een vermeende rivale kort en klein. Maar mensen die haar niet zo goed kennen – ik kom ze overal in het land tegen – hebben een heel verheven idee van haar.”

De heilige Lia.

„Ja.”

Dan kan je boek nog een leuke verrassing worden.

„Nee hoor, ze geloven het gewoon niet. Ze zullen het zien als het ressentiment van een gekrenkt kind. Die werelden komen bij elkaar in deze herinnering: hoe zij met zachte stem praat over de genade van de kosmos met een vrouw die voor haar werkte en tegelijkertijd” – hij klemt zijn hand om mijn bovenarm – „mijn zus knijpt.”

Dat doe je goed na.

„Dank je. Dat is wat ik heb willen vermijden. De woede, jongen! Sterk spul.”

Woede op wie of wat?

„De immanente woede die diep in ons zit. De Ilias begint er mee, het vertrekpunt van onze literatuur: de woede van Achilles die het meisje Briseïs moet opgeven, terwijl ze hem was toegewezen als oorlogsbuit. Begrijp je? Echt lelijk, hoor.”

En die woede kanaliseer je door…

„Een straf regime van zenmeditatie te volgen, tweemaal twintig minuten per dag. Jezelf in de hand houden en geen onaangenaam mens zijn, dat is nog best een opdracht. Helemaal als de klachten van de middelbare leeftijd beginnen te komen, de idiote gedachte dat het leven je iets verplicht is.”

Ik dacht dat je zou zeggen: door te schrijven.

„Schrijven is groot en goed, ook omdat je gedurende die bezigheid niemand tot last bent. Maar de wezenlijke dingen ondervang je er niet mee.”

Wat vinden je zussen van je boek?

„Ze hebben het nog niet gelezen en ze zijn er niet gerust op. Mijn oudste zus zei: je bent nu 51, ze is drie jaar dood, laat haar toch met rust. Ja! Dat kan ook! Maar dat doen we niet! Ze zijn misschien loyaler aan haar omdat ze hun hele jeugd bij haar zijn geweest. De oudste twee hebben de opvoeding van de jongste op zich genomen, want niet lang nadat zij geboren was begon mijn moeder aan haar reizende bestaan. Ze was soms weken weg. Ik vond brieven waarin ze eerst in Thailand is, waar ze kust met een jongen op het strand, en dan doorreist naar India en Egypte. Al die tijd heeft ze een kind van een paar jaar oud thuis, en twee van twaalf, dertien. Heel eigenaardig.”

Zij voelen zich niet verlaten?

„Tuurlijk wel. Het gekke is, als ik zo met jou over mijn moeder zit te praten, de dingen die ik over haar zeg… Verraad. Naar. Het doet geen recht aan de veelheid van alles, aan haar als eh… ik bedoel, ze was ook heel liefdevol. Herinner je je wat ik schrijf over mijn dochter op dat koude Noord-Hollandse voetbalveld?”

Ze raakt de bal alleen als die toevallig voor haar voeten komt.

„En ik sta daar met een rooie kop langs de zijlijn te schreeuwen. ‘Naar voren!’ Zo zal ze me onthouden, dacht ik. En dan die innerlijke dialoog met mijn moeder, dat ze zegt: ‘Alle keren dat ik je heb opgetild en in slaap heb gezongen en heb geknuffeld, en wat onthoud je?’”

Dat ze je sloeg met een zweep.

„Omdat ik kauwgum kauwend en onderuitgezakt op de rug van een paard zat.” Hij lacht. „Zulke nare dingen over je moeder zeggen als ze dood is, dat dóe je toch niet?”

De doden, schrijf je, zijn in de handen van de levenden.

„Zo is het. Maar bij het praten over haar voel ik me naakter dan bij het schrijven. Doe ik haar wel recht? Een confronterende vraag. In het boek zeker. Ik denk dat ze ermee zou hebben kunnen leven, vooral door het slot, waarin ik uit een brief van haar citeer. We lopen samen door de straten van Oranjestad, geen verleden, geen toekomst, een mooi bevroren moment, alleen een eeuwigdurend heden.”

Aan het eind van het gesprek vertelt hij over de keer dat zijn moeder haar Egyptische man aan hem kwam voorstellen, ze was inmiddels met hem getrouwd. „Hij mocht in de auto niet roken, dus hing hij paffend uit het raam toen ze bij mij de dijk af kwamen rijden. Hij, maar vijf jaar ouder dan ik, stapte uit, spreidde zijn armen en riep: ‘My son!’” Hij lacht en pakt zijn notitieblokje. „Dat moet ik nog eens opschrijven. Of staat het in Joe Speedboot? Weet jij dat?”